Biobrandstof waarvoor bos is gekapt, is niet duurzaam. Er komt een regeling met certificaten voor de ’echte’, duurzame, biobrandstof, maakte de Europese Commissie deze week bekend. Komt deze nieuwe stap uit Brussel tegemoet aan de kritiek op het duurzame gehalte van biobrandstof ? Nog niet, stelt Jan Ros, projectleider bio-energie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Want hiermee wordt misschien voorkomen dat bos sneuvelt ten gunste van palmolie of koolzaadolie voor in de autotank. Maar het is niet denkbeeldig dat dat koolzaad verbouwd wordt op grond waar eerst graan stond voor de voedselproductie. Dat graan moet vervolgens op een nieuw stuk landbouwgrond gaan groeien waar mogelijk alsnog bomen voor verdwijnen.

Er wordt nog geen rekening gehouden met het 'indirecte effect'

Daardoor neemt de uitstoot van broeikasgas niet af, wat de bedoeling is van de inzet van biobrandstof, maar juist toe. Met dit ’indirecte effect’ houdt de richtlijn van de Europese Commissie nog geen rekening. "De vraag is of dit een groot punt van zorg is”, constateert Ros. "Onze conclusie is: ja, dat is een bron van zorg.” De Europese Commissie vindt dat ook en is hard aan het studeren op aanvullende criteria om het duurzame gehalte van biobrandstof preciezer te kunnen vaststellen. Eenvoudig is dat niet, ziet Ros, die regelmatig de Brusselse deskundigen spreekt die ermee bezig zijn. "Je voelt aan alles dat het een lastig dossier is. Hoe stel je oorzaak en gevolg vast?” Daarvoor zijn volgens Ros modellen nodig waarmee gegevens over de mondiale landbouwproductie doorgerekend kunnen worden. "Als er bijvoorbeeld in een gebied een graangewas verdwijnt ten gunste van koolzaad, leidt dat dan tot een toename van de vraag naar graan op de wereldmarkt?” Zulke modellen zijn erg ingewikkeld omdat ze met veel factoren moeten rekenen, zoals de toename van de wereldbevolking. "Maar je kunt dan wel een inschatting van de risico’s maken”, legt Ros uit.

De nieuwe uitdaging voor duurzaamheid

Stel dat alle modellen uitwijzen dat de toenemende productie van biobrandstof toch indirect leidt tot het verdwijnen van natuur elders, dan is de vraag wat beleidsmakers als de Europese Commissie daar aan moeten doen. Een oplossing kan zijn de voedselproductie te intensiveren, zodat er meer oogst van dezelfde lap grond komt. Maar als daar meer kunstmest voor nodig is, leidt dat alsnog tot meer broeikasgas. Andere opties zijn meer restproducten van voedselgewassen in te zetten, maar die toepassing moet nog verder ontwikkeld worden, of gronden te gebruiken voor biobrandstof die niet geschikt zijn voor voedsel. Ook zou Europa simpelweg de doelen voor het terugdringen van de uitstoot kunnen opschroeven. Of landen belonen die hun landbouw zo goed ontwikkelen, dat ze geen extra grond in gebruik nemen. Makkelijk is het allemaal niet, constateert Ros nog eens. "Maar dit is wel de nieuwe uitdaging voor duurzaamheid. Niet alleen één productieketen moet schoon zijn. Je moet je afvragen hoeveel van die ketens de wereld zich kan veroorloven.”