De verrassende en bliksemsnelle opmars van de ultaconservatieve en eurosceptische voormalige Poolse premier Jaroslaw Kaczynski in de peilingen voorafgaand aan de presidentsverkiezingen van 20 juni – een opmars die hij eerder te danken heeft aan het medeleven na de dood van zijn tweelingbroer dan aan zijn politieke ideeën –, de opkomst van het nationalisme in Hongarije en de dreiging van een politieke crisis in Roemenië en de Baltische staten zorgen voor ongerustheid in de Europese Unie.

In Polen, dat over één van de best gefundeerde democratieën van de regio beschikt, legt het politieke spel het optreden van de regering lam. Analisten zijn van mening dat de groei, ondanks het Poolse economische potentieel, is achtergebleven bij de mogelijkheden. De Poolse regering had in 2007 hervormingen beloofd om het land te moderniseren (begrotingsdiscipline en hervorming van de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg en de pensioenen), maar de onlangs verongelukte president, Lech Kaczynski gebruikte zijn vetorecht om belangrijke wetsteksten tegen te houden of om daar in ieder geval mee te dreigen.

Problemen rondom macht

De wijze waarop de macht wordt verdeeld tussen het staatshoofd, dat de rol van hoeder van het systeem vervult, en de regeringsleider, die daadwerkelijk de uitvoerende macht bekleedt, is schering en inslag in het Oosten en vormt een bron van instabiliteit.Denk maar aan de crisis die in 2009 in Europa ontstond toen de Tsjechische president, de euroscepticus Václav Klaus, weigerde het Verdrag van Lissabon te ondertekenen, terwijl zijn parlement dit al had goedgekeurd.

Een ander probleem dat zich vaak voordoet in het Oosten, is dat het moeilijk is om regeringen te vormen die voldoende en solide steun genieten. Na de parlementsverkiezingen van april in Hongarije kon de nieuwe centrumrechtse regering rekenen op een absolute meerderheid in het parlement, hetgeen nog nooit vertoond was. Deze prestatie werd echter overschaduwd door haar eerste omstreden optreden aan de macht. Eind mei insinueerde een regeringswoordvoerder namelijk dat er met de overheidsrekeningen was geknoeid en dat Hongarije, dat de ergste economische crisis sinds achttien jaar doormaakt, zich in een vergelijkbare situatie bevond als Griekenland. Het IMF en de EU zagen zich gedwongen deze onverantwoordelijke uitlatingen tegen te spreken om de markten tot rust te brengen.

Voorafgaand aan deze verklaringen was er al een niet minder omstreden wet goedgekeurd, die duidelijk de nationalistische en populistische neigingen deed uitkomen van de nieuwe regering van de centrumrechtse partij Fidesz. Deze wet zorgt ervoor dat personen van Hongaarse afkomst die in het buitenland wonen (dat wil zeggen 2 à 3 miljoen mensen die zich voornamelijk hebben gevestigd in Slowakije, Roemenië, Servië en Oekraïne) de Hongaarse nationaliteit krijgen, ook al hebben ze geen woonplaats in Hongarije. Deze stap leidde er in bepaalde buurlanden, met name in Slowakije, toe dat oude wonden opnieuw werden opengereten.

Voortdurend in beroering

Het staat wel vast dat het Oost-Europa sinds 1989 vrijwel voortdurend in beroering is. Twee decennia na het einde van het communisme hebben sommige Oost-Europese landen die tot de EU zijn toegetreden, nog altijd moeite om een stabiel democratisch systeem in te stellen. Deskundigen wijten dit onder andere aan het feit dat het bij de politieke vorming aan gedegenheid ontbreekt, na de lange alleenheerschappij van de communistische partij.

Een andere oorzaak voor deze instabiliteit is de corruptie, die Roemenië en Bulgarije nog altijd ondermijnt. In deze landen heeft de economische crisis het debat versterkt over de vraag of zij er wel klaar voor waren om lid te worden van de EU. In Boekarest kon de wankele regeringscoalitie het hoofd vorige week maar net boven water houden toen premier Emil Boc een motie van afkeuring wist af wenden. Deze was gericht tegen het rigoureuze bezuinigingsplan dat de regering had opgesteld teneinde de door het IMF toegekende lening te behouden en een bankroet te voorkomen. Pogingen om bezuinigingsplannen door te voeren kwamen eerder de regeringen van Letland en Litouwen al duur te staan: zij verloren in maart hun meerderheid in het parlement.