In het circus van internationale conferenties vormen de bijeenkomsten van de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) de clownact. Deze bijeenkomsten leverden tot nu toe nog minder resultaat op dan de klimaattop en vredesonderhandelingen over het Midden-Oosten. En toch zaten ze jaar in jaar uit tegenover elkaar op de fraaiste plekken ter wereld, om vervolgens vast te stellen dat ze elkaar niets te zeggen hadden. Nu is er voor het eerst sinds het moratorium op de walvisvangst van 1986 een compromis in zicht. De Chileense voorzitter van de IWC, Cristian Maquieira, heeft voorgesteld om de paar landen die nog aan walvisvangst doen voor een periode van tien jaar een totaal quotum van 1400 dieren per jaar toe te staan. Daarna zou het dan definitief voorbij moeten zijn met de walvisvangst. Als tegenprestatie zou Japan dan niet meer mogen jagen in het walvisreservaat rond de Zuidpool. Dat is het eerste voorstel sinds 1986 dat voor beide partijen acceptabel is.

De commissie werd ooit opgericht om duurzaam gebruik te gaan maken van het aantal walvissen, nadat er eeuwenlang roofbouw was gepleegd op deze zeezoogdieren. In 1986 besloot de IWC echter om de walvisvangst volledig te verbieden, aangezien de meeste lidstaten, zoals Duitsland en de Verenigde Staten, al lang niet meer aan walvisvangst deden. De technische vooruitgang had ervoor gezorgd dat de grondstoffen die uit walvissen werden gewonnen overbodig waren geworden. Voor de overgebleven landen die aan walvisvangst deden was dat een slag in het gezicht.

De instantie waar ze lid van waren geworden om volgens vastgestelde regels op walvissen te kunnen blijven jagen, had nu een draai van 180 graden gemaakt en was een organisatie geworden die walvissen beschermt. Deze leden pasten zich niet aan de grote meerderheid aan en houden zich sindsdien ook niet aan het verbod. Japan voerde de walvisvangst op als onderzoeksproject, want het vangen van walvissen om wetenschappelijke redenen is toegestaan. Noorwegen en IJsland gingen tegen het verbod in beroep en erkennen het tot op de dag van vandaag niet.

Loopgravenoorlog

In een decennialange loopgravenoorlog staan nu twee onverzoenlijke culturen tegenover elkaar. De ene cultuur beschouwt walvissen nog altijd als natuurlijke bron, net als haring of garnaal, terwijl ze voor de andere cultuur in de loop der tijd zijn uitgegroeid tot heilige dieren. Noord-Amerikanen en Europeanen hangen posters van walvissen in hun slaapkamers, luisteren naar walvisgezang of brengen hun vakanties door met het spotten van walvissen – tochten die inmiddels door honderden toeristische bedrijven overal ter wereld worden georganiseerd.

Walvissen zijn voor veel mensen daarom uitgegroeid tot een soort engel van een seculiere ecologische religie – hogere wezens, die ons boodschappen van moeder aarde doorgeven. Zoölogen bekijken de zaak tamelijk nuchter. Walvissen zijn weliswaar intelligente zoogdieren, maar niet slimmer dan wilde zwijnen of vossen, waarvan er jaarlijks in Europa miljoenen tegelijk met jachtgeweren worden gedood.

In de loop der jaren werd de samenstelling van de commissie hoe langer hoe vreemder. Japan bedrijft diplomatie met behulp van de portemonnee, door kleine eilandstaten financieel te steunen als ze toetreden tot de IWC en daar op verzoek van Japan hun hand opsteken. Anderzijds zorgden ook de tegenstanders van de walvisvangst voor een uitbreiding van hun achterban. Steeds meer landen traden toe tot de IWC met als enig doel om het verbod te ondersteunen. Het is immers lastig uit te leggen aan leden die voor commerciële walvisvangst zijn wat landen als Zwitserland, Luxemburg, Oostenrijk en Hongarije in een commissie tegen de walvisvangst te zoeken hebben.

Japan en Noorwegen voeren als argument aan dat veel walvissoorten tegenwoordig niet langer zeldzaam zijn. Op de enige walvissoort die tot nu toe is uitgestorven, is immers nooit gejaagd. Het vervuilde water en de intensieve scheepvaart op de rivier de Yangtse zijn de Chinese rivierdolfijn (Baiji) noodlottig geworden.

Langzaam beter

Sinds het kleine aantal overgebleven walvisvaarders jaarlijks nog maar ongeveer tweeduizend walvissen doden, gaat het langzaam beter met voortbestaan van de soorten: bij sommige gaat die ontwikkeling te langzaam, zoals bij de Atlantische Noordkaper, waarvan er nog altijd maar 350 zijn. Bij andere soorten verliep de ontwikkeling juist geweldig goed, zoals bij de dwergvinvis, waarvan er intussen een half miljoen zijn en die kon profiteren van de terugloop in aantal bij de grotere walvissoorten.

Vanwege bescherming van de soort is er tegen een jacht op deze walvissen dus niets in te brengen, maar qua bescherming van de dieren juist wel, want harpoenen met explosief doden niet altijd even snel. Aangeschoten dieren moeten dan ook lang lijden voordat ze sterven. Datzelfde geldt overigens net zo voor wilde zwijnen en vossen.