Aleppo, Damascus, de straten bezaait met lichamen, kapotgeschoten wijken, lukrake bombardementen. Het zijn onverdragelijke beelden en verhalen die direct herinneren aan de meest donkere dagen in Sarajevo en Grozny. ‘Urbanicides’ [het uitmoorden van een stadsbevolking, red.]. En niemand lijkt ook maar een vinger uit te steken.

De VS voeren verkiezingscampagne en de Europeanen willen wel actie ondernemen, maar kunnen het simpelweg niet.

De Europese onmacht bepaalt niet alleen de toekomstige uitkomst van een conflict dat maar voortduurt, het heeft ook bijgedragen aan de transformatie van een politiek conflict dat is veranderd in een compleet asymmetrisch militair conflict. De Russische ‘Potemkin-democratie’ heeft volledig gebruik gemaakt van deze Amerikaanse afwezigheid en Europese onmacht.

De ‘soft power’ van Europa is uitgekleed en wacht op november zoals we op Godot zouden kunnen wachten. Europa hoopt dat de VS dan iets zullen doen, of dat de opstandelingen dan de overhand zullen hebben. We weten het niet zo goed meer, want naast het conflict in Syrië is het taak aan Europa een uitweg te vinden uit deze onhoudbare strategische onmogelijkheid.

Het probleem van het strategische onvermogen van de Europese landen is niet alleen te wijten aan de capaciteit (of het gebrek daaraan) om vredesmissies uit te voeren. Het betreft de kern van de tektonische bewegingen die de strategische wereld bezighoudt. De VS hebben dit niet alleen begrepen, ze spelen er ook op in door het zwaartepunt van hun veiligheidsbeleid te verplaatsen van het Westen naar het Oosten en aan de Europeanen te vragen meer verantwoordelijkheden op zich te nemen. De reactie hierop van Europa was niet meer dan een nieuwe formulering van ‘minder uitgeven en beter uitgeven’ in ‘intelligente defensie’.

Jaarbudget van 18 miljard euro

Als defensie, in grotere mate dan de eenheidsmunt, de soevereiniteit van de naties in het hart raakt, dan moet defensie in strikte zin – nucleaire afschrikking inbegrepen – over worden gelaten aan de NAVO en haar lidstaten zodat we ons kunnen richten op hetgeen waarover reeds consensus binnen de EU is: “de Petersbergtaken (vredeshandhaving, het afdwingen van vrede en humanitaire missies behoren toe aan Europa en het behoud van het strategische evenwicht is zaak van de NAVO (en dus ook van haar lidstaten)”, schreef Jean-Jacques Roche in januari.

Het idee is niet om de legers (of een deel daarvan) van de verschillende lidstaten te fuseren, maar om juist naast de nationale legers één gemeenschappelijk Europees leger op te richten. En leger met een generale staf, een rekruteringssysteem, militaire scholen, militaire bases en inlichtingendiensten.

Als we uitgaan van de hypothese van een versterkte samenwerking waar in eerste instantie de tien NAVO-lidstaten (Duitsland, België, Bulgarije, Spanje, Frankrijk, Griekenland, Italië, Nederland, Polen, Portugal) zich bij aansluiten door 0,2 procent van hun bnp – oftewel acht tot twintig procent van hun respectievelijke defensiebudgetten – over te hevelen aan het gemeenschappelijke Europese leger, dan zal het jaarbudget van dit leger oplopen tot circa 18 miljard euro. Als we de Britse bijdrage toevoegen dan komen we boven de 21 miljard euro uit. Dat is niet niets als we ervan uitgaan dat deze middelen voor het overgrote deel worden gebruikt voor de inzet van troepen.

Een gemeenschappelijk militair instrument verplicht de lidstaten om gezamenlijk te bepalen en te beslissen over de deelname aan vredesmissies en de voorwaarden daarvan. Op deze wijze draagt dit instrument ook bij aan de definitie van een gemeenschappelijk buitenlandbeleid. Dit stelt tevens de lidstaten in staat programma’s te financieren die ze individueel niet meer kunnen bekostigen. Ten slotte zorgt een gemeenschappelijk leger ervoor dat de nationale legers van de deelnemende lidstaten gebruik kunnen maken van diensten die steeds moeilijker te verkrijgen zijn op individuele basis (satellietobservatie en -communicatie, bescherming tegen bacteriologische, chemische en nucleaire bedreigingen, vliegdekschipgevechtstroepen, inlichtingen, enzovoorts).

Toegevoegd als strategische reserve

Bij een ‘communautaire’ opzet is de politieke verantwoordelijkheid van de organisatie en die van het functioneren van dit leger geheel voorbehouden aan de voorzitter van de Europese Commissie en aan een commissaris voor Veiligheid en Defensie. Zij beslissen of het gemeenschappelijke leger al dan niet wordt ingezet bij vredesoperaties. Deze beslissing wordt dan vervolgens onderworpen aan een tweeledige goedkeuring, namelijk die van het Europees Parlement en van de ministerraad van de landen die deelnemen aan de versterkte samenwerking. Door de tussenkomst van de ministerraad behouden de lidstaten – in het bijzonder die met het grootste inwoneraantal – een goede controle over de cijfers en een uitstekende politieke controle over de beslissing van het inzetten van troepen.

Dit gemeenschappelijke leger kan bij de NAVO worden gevoegd als strategische reserve. Hier moeten wel voorwaarden aan worden gekoppeld die gezamenlijk door alle NAVO-leden bepaald moeten worden. Alle EU-landen kunnen deelnemen aan deze versterkte samenwerking mits zij ermee akkoord gaan dat dit gezamenlijke leger onderdeel is van de NAVO.

Sommigen beweren dat in deze tijden van crisis de EU wel wat beters te doen heeft. Maar daarmee wordt onderschat dat een dergelijk gemeenschappelijk Europees leger bijdraagt aan de politieke geloofwaardigheid van het Europese project in zijn geheel, en dus ook die van de economische spelers.

Bovendien zal de EU-begroting in één keer toenemen met ruim twintig procent. Een gemeenschappelijk leger levert ook extra voordelen op op het gebied van economische ontwikkeling veroorzaakt door de eenheidsmunt door in de zuidelijke landen de belangrijkste onderdelen van de benodigde infrastructuur aan te leggen.

Speelruimte is beperkt

De Duitse bondskanselier Angela Merkel, de sterke man uit haar regering Wolfgang Schäuble, de Franse president François Hollande, de Italiaanse president Giorgio Napolitano, de Italiaanse, Poolse en Spaanse ministers-presidenten Mario Monti, Donald Tusk en Mariano Rajoy; zelden heeft Europa zoveel leidende figuren met zulke sterke Europese overtuigingen bij elkaar gezien. Als we daar een Britse minister-president aan toevoegen die bekend staat om zijn pragmatisme, dan zijn er zeker redenen te geloven dat het geschikte moment zich heeft aangediend. Niettemin is de speelruimte beperkt, want aankomend voorjaar worden er allereerst in Italië en daarna in Duitsland parlementsverkiezingen gehouden.

Dit alles heeft ons ver verwijderd van de tragedie die zich afspeelt in Syrië. Dat is duidelijk. Want als Europa – uiteindelijk – vastberaden besluit het veiligheidsbeleid aan te pakken, dan kost het ook nog eens tijd om het operationeel te maken. Toch kunnen we redelijkerwijs aannemen dat deze Europese verrijzenis op gebied van verantwoordelijkheden een onmiddellijk effect kan hebben op die landen die momenteel iedere initiatief blokkeren om de internationale gemeenschap tot actie over te laten gaan om het dodelijke beleid van het Syrische regime te stoppen.