Daniel Gueguen is een veteraan onder de Brusselse lobbyisten. Voor voorvechters van het transparante systeem is hij een tegenstander van formaat, maar voor de mensen die van zijn diensten gebruikmaken is hij niets anders dan een professional met de gave van de overredingskracht. Gueguen heeft zelfs een soort academie opgericht om te leren lobbyen: het European Training Institute. En zoals hij zelf graag bekent: Brussel is een paradijs voor mensen die afstuderen aan zijn instituut en die hij zelf bij voorkeur omschrijft als "mensen die aan het werk zijn om de belangen van de Europese Unie te dienen".

Brussel, een paradijs voor lobbyisten

Qua paradijs heeft Brussel Washington intussen ingehaald en is uitgegroeid tot de internationale hoofdstad van de lobby. Met slechts een miljoen inwoners is de stad waar de voornaamste Europese instanties zijn gevestigd in de afgelopen vijfentwintig jaar veranderd in een eldorado voor professionals die hun invloed hebben op de eurocraten.

De schrijvers van het boek Bursting the Brussels Bubble [dat onlangs werd gepubliceerd door ALTER-EU, The Alliance for Lobbying Transparency and Ethics Regulations], melden dat er in 1985 hier zo’n 654 lobbyisten aan het werk waren, maar dat het er tegenwoordig minstens 15.000 zijn. In Washington waren dat er in 2009 maar duizend minder. De scheppers van Europese besluitvorming mogen zich bovendien nog verheugen in een veel comfortabeler positie dan hun Amerikaanse collega’s. Er bestaat voor hen namelijk geen verordening waarin hun activiteiten worden gereguleerd.

"Onafhankelijk" advies betaald door het bedrijfsleven

In juni 2008 heeft de Europese Commissie, in het kader van het Initiatief voor meer transparantie (European Transparancy Initiative), een register van belangengroepen in het leven geroepen. Het enige probleem is dat het een vrijwillig register is gebleven. Tot op de dag van vandaag zijn er 2.771 organisaties ingeschreven in dit register, dat slechts basisgegevens bevat. Bovendien zijn lobbyisten op geen enkele wijze verplicht aan te geven op welke richtlijn of welk wetsvoorstel zij invloed denken te gaan uitoefenen, bevestigt William Dinan van de universiteit van Glasgow. En dat is nog niet alles. Volgens Paul de Clerk, een van de schrijvers van Bursting the Brussels Bubble, hoeven belangengroepen in het register alleen maar aan te geven wat hun geschatte maandelijkse uitgaven zijn met betrekking tot de lobbyactiviteiten die ze voor een opdrachtgever uitvoeren, op een schaal van duizend tot … een miljoen euro. Als gevolg van dergelijke praktijken is het haast onmogelijk vast te stellen wat het bevorderen van een bepaalde verordening werkelijk heeft gekost.

De effecten van lobbyen binnen de EU grenzen soms aan het belachelijke. Zo kan het gebeuren dat Europarlementariërs, die niets afweten van het energiebeleid, na een aantal gesprekken met adviseurs een betoog houden dat de grote energiebedrijven waardig is. Om het gebrek aan experts aan te vullen, doet de Europese Commissie regelmatig een beroep op de diensten van groepen van deskundigen, die geacht worden onafhankelijk advies te geven. Officieel leveren ze die diensten bovendien gratis. De schrijvers van Bursting the Brussels Bubble geven echter de verzekering dat deze experts door de grote jongens uit het bedrijfsleven worden betaald.

Infiltratie van een groep deskundigen voor biobrandstof

Als je de samenstelling van de groepen van deskundigen op het gebied van financiën en banken analyseert, zie je meteen welke adviseurs bijvoorbeeld verbonden zijn aan Barclays of aan Paribas”, beweert Paul de Clerk. Hij voegt eraan toe dat een van de indrukwekkendste acties van lobbyisten de afgelopen jaren wel de infiltratie van een groep deskundigen op het gebied van biobrandstof is geweest. Toch was dat nog niets vergeleken met wat er is voorgevallen tijdens de voorbereidingen voor de richtlijn REACH (Registratie en beoordeling van, autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische producten). In 1998 had de Raad van Milieuministers het besluit genomen om het gebruik van circa 100.000 chemische producten te reguleren. Deze producten konden tot dan toe namelijk worden vervaardigd, geïmporteerd of verkocht zonder enige informatie wat betreft de gevolgen van het gebruik ervan. Het was de taak van overheidsinstanties om na te gaan wat de mogelijke schadelijke werking van de verschillende chemische stoffen was en een eventueel verbod uit te vaardigen op het gebruik ervan.

In 2001 stelde de Europese Commissie voor om de chemische industrie onder toezicht te stellen. Fabrikanten en importeurs dienden voortaan informatie te verstrekken over de eigenschappen van de gebruikte substanties en gevaarlijke chemische stoffen te vervangen door minder schadelijke equivalenten. Dit bleek het begin van de Europese lobby in zijn huidige vorm.

Chemieconcerns Bayer en BASF streden tegen de REACH-richtlijn

Lobbyisten deden een poging om de Commissie ervan te overtuigen dat haar voorstellen het einde zouden betekenen voor de chemische industrie in Europa en onvermijdelijk zou leiden tot een stijging van de werkeloosheid. De voornaamste drijvende krachten in deze strijd waren de Duitse chemieconcerns Bayer en BASF. In 2003 maakte de Duitse vereniging van chemieproducenten bedragen over ten gunste van politieke partijen. De conservatieve CDU-CSU ontving in totaal 150.000 euro, de liberale FDP een bedrag van 50.000 euro en de sociaaldemocratische SPD een bedrag van 40.000 euro.

Het resultaat van deze lobby was als volgt: conform de wet, die van kracht werd, dient de chemische industrie basisinformatie te verstrekken over alle chemische producten die worden verkocht vanaf een jaarlijkse hoeveelheid van meer dan een ton. Maar in plaats van 100.000 chemische producten, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, betreffen de bepalingen van REACH uiteindelijk slechts 30.000 producten.

Volgens deskundigen is lobbyen definitief een onderdeel geworden van het Brusselse wereldje. Lobbies blijven in alle vrijheid hun werk doen tot aan de dag waarop, tijdens een proces van Europese besluitvorming, zal blijken dat hun handelingen de wet duidelijk in de weg staan. Alleen als lobbyisten verwikkeld zouden raken in een groot schandaal zou dat kunnen leiden tot een verordening over de activiteiten van de mensen die "aan het werk zijn om de belangen van de Europese Unie te dienen".