Het succes van de Franse Groenen bij de Europese verkiezingen moet niet worden overschat, noch onderschat. Hun overwinning moet niet worden overschat omdat zij deels voortvloeit uit de tekortkomingen van de Franse Socialistische Partij en de wankele geloofwaardigheid van MoDem [Mouvement Démocratique, centrumpartij] en linkse splinterpartijen. Evenmin moet zij worden onderschat, want het is een teken van de politieke groei van het ecologisch bewustzijn in ons land.

Het bewustzijn van het verband tussen politiek en milieu laat echter nog veel te wensen over. De problemen waar justitie en de staat voor staan, de problemen met gelijke kansen en maatschappelijke verhoudingen hebben immers geen raakvlakken met het milieu. Politiek waarin geen ruimte is voor milieubescherming gaat aan een euvel mank. Maar dat geldt net zozeer voor politiek die beperkt blijft tot milieubescherming. Voor de visie van een "bovennatuurlijke" mens is nog geen visie in de plaats gekomen van de complexe onderlinge afhankelijkheid tussen onszelf en de levende wereld, zonder welke wij ten dode zijn opgeschreven.

Elke vorm van milieubeleid heeft twee kanten. Enerzijds is zij op de natuur gericht, anderzijds op de maatschappij. Zo is beleid met het oog op vervanging van vervuilende fossiele brandstoffen door schone energie tegelijkertijd een aspect van beleid dat gericht is op volksgezondheid, hygiëne en kwaliteit van leven. Beleid met het oog op energiebesparing is tegelijkertijd een aspect van politiek ter bestrijding van de consumptieverslaving van de middenklassen. Beleid met het oog op terugdringing van de vervuiling van steden, ontwikkeling van elektrisch openbaar vervoer en invoering van voetgangerszones in historische centra, zou er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat steden weer een menselijk gezicht krijgen. Er zouden weer gemengde wijken kunnen ontstaan en er zou een eind komen aan maatschappelijke getto's, ook aan luxe getto's voor de beter bedeelden. De tweede kant van milieubeleid omvat eigenlijk al een sociaaleconomische pijler. Maar er is ook iets diepers aan de orde, wat tot dusver in geen enkel politiek programma is terug te vinden, en dat is de positieve noodzaak om ons leven een andere wending te geven, niet alleen in de zin van soberheid, maar vooral in de zin van kwaliteit en poëzie van het leven.

Deze tweede kant is in het mileubeleid echter nog niet voldoende uitgewerkt. Allereerst is de tweede, aanvullende boodschap niet verweven in het huidige manier van milieupolitiek voeren. Deze is in dezelfde periode geformuleerd als de ecologische boodschap, aan het begin van de jaren 70, door Ivan Illich [een van de grondleggers van de politieke ecologie]. Hij trok op originele wijze van leer tegen onze beschaving en toonde aan in welke mate de groei van materiële welvaart gepaard ging met een psychisch onbehagen. Het psychische onbehagen behoorde en behoort toe aan het terrein van geneeskunde, slaapmiddelen, antidepressiva, psychotherapieën, psychoanalyses en goeroes, maar wordt niet opgevat als een uitvloeisel van de beschaving.

Alle berekeningen die worden toegepast op alle aspecten van het menselijk leven gaan voorbij aan alles wat per definitie niet kan worden berekend, dat wil zeggen lijden, geluk, vreugde, liefde, kortom alles wat belangrijk is in onze levens en wat buiten het sociale vlak lijkt te liggen, wat strikt persoonlijk lijkt. Alle beoogde oplossingen zijn kwantitatief: economische groei, groei van het BNP. Wanneer wordt in de politiek rekening gehouden met de enorme behoefte aan liefde van de in het heelal verdwaalde mens? Beleid waarin milieubescherming deel uitmaakt van de problemen van de mens kan een oplossing bieden voor de problemen die worden veroorzaakt door de negatieve effecten, die steeds zwaarder wegen dan de positieve effecten, van de ontwikkeling van onze beschaving, zoals de afkalving van de solidariteit. Daardoor kunnen we tot het inzicht komen dat nieuwe saamhorigheid de hoeksteen vormt van een beschavingsbeleid. Milieupolitiek kan op die manier deel uitmaken van een grote, opnieuw vormgegeven beleid, en bijdragen aan die nieuwe vormgeving.

Milieubeleid heeft weliswaar haar waarheid en onvolkomenheden, maar de linkse partijen hebben op hun manier ook hun waarheden, fouten en tekortkomingen. Zij zouden zich allemaal moeten ontbinden en vervolgens moeten samensmelten in een nieuwe politieke macht die wegen kan vrijmaken. De economische weg zou bestaan uit een pluriforme economie. De sociale weg zou bestaan uit bestrijding van ongelijkheden, terugdringing van de bureaucratie van openbare en particuliere organisaties en invoering van solidariteit. De existentiële weg zou bestaan uit een hervorming van het leven, waarbij we tot zullen inzien wat iedereen diep van binnen voelt, namelijk dat liefde en begrip het meest kostbare goed van de mens is en dat de mens een poëtisch bestaan zou moeten leiden, waarin hij zich persoonlijk kan ontwikkelen, zich één kan voelen en hartstocht ervaren.

Onze geglobaliseerde beschaving leidt naar de afgrond en we moeten dan ook een andere weg inslaan. Al deze nieuwe wegen moeten kunnen samenvloeien en één grote weg vormen, met een beter eindpunt dan revolutie, namelijk metamorfose. We staan nu nog niet eens aan het begin van beleidsvernieuwing. Maar milieupolitiek zou de aanzet en bezieling kunnen geven voor het begin van een nieuwe start.