Nog even en we moeten ons verontschuldigen voor wat we zijn. Een aantal grote Europese landen zien met angst en beven het beslissende jaar 2014 naderen, het jaar waarin Bulgaren en Roemenen officieel zonder enige restrictie toegang hebben tot de arbeidsmarkt in andere lidstaten van de Europese Unie. Sommige zijn al druk bezig met het bedenken van argumenten om dat te verhinderen en bestempelen de burgers van die landen daarmee definitief tot tweederangs Europeanen.

Het idee van Nederland om de ‘fout’ van de vroegtijdige toetreding van Boekarest en Sofia in 2007 te herstellen door in elk geval te proberen hen de toegang te versperren tot de Schengenruimte, heeft veel bijval gekregen van landen als Duitsland, België en Finland. Ook Frankrijk heeft een bijdrage geleverd met zijn campagne tegen de Roma, die gepaard gaat met een groeiend wantrouwen tegen Bulgaren en Roemenen in het algemeen. Maar het is Groot-Brittannië dat helder heeft geformuleerd wat iedereen al in zijn hoofd had, namelijk dat Sofia en Boekarest wel officieel in de EU blijven (het is ook niet echt mogelijk om ze uit de Unie te zetten), maar dat de burgers van die landen een visumplicht opgelegd krijgen. Een maatregel waarmee in één klap een einde wordt gemaakt aan de ongerustheid van de Nederlanders over het opheffen van de binnengrenzen, de weerzin van de Fransen tegen de komst van buitenlandse Roma en de angst van de Britten dat de meest onzekere en slechtst betaalde baantjes hen worden afgepakt.

Buitenlandse sollicitanten elimineren

Het is zeker geen toeval dat twee gebeurtenissen die geen enkele ruimte laten voor misverstanden op hetzelfde moment komen. Op 7 oktober heeft Theresa May, de Britse minister van Binnenlandse Zaken, de belangrijkste Europese overeenkomst waarin het vrije verkeer van personen is vastgelegd, letterlijk verscheurd en voorgesteld dit recht voor de burgers van “sommige landen” te schrappen. Het was voor iedereen duidelijk dat het hier om Bulgarije en Roemenië ging. De volgende dag maakte de Bulgaarse europarlementariër Ivaïlo Kalfine (Socialistische partij) het antwoord bekend van eurocommissaris sociale zaken László Andor op zijn verzoek van 11 juli van dit jaar om onderzoek te doen naar de discriminatie van Bulgaren en Roemenen in Groot-Brittannië. “Geen bijzonderheden” was in het kort de conclusie van Brussel na zich twee maanden over het onderwerp te hebben beraden.

De feiten liggen er, maar je moet wel bereid zijn om de realiteit onder ogen te zien. Sinds begin dit jaar heeft Londen zijn machtige bureaucratische machine in gang gezet om buitenlandse sollicitanten te elimineren door de procedure langer te laten duren dan de voorgeschreven zes maanden en Bulgaren en Roemenen steeds verder het duistere pad van zwartwerk op te drijven.

Stabiliteit van de Britse arbeidsmarkt

Groot-Brittannië is een van de landen die het maximale uitstel van zeven jaar hebben aangehouden voor het openstellen van hun arbeidsmarkt voor de twee jongste lidstaten van de EU. De reden? De massale komst van Bulgaren en Roemenen zou de stabiliteit van de Britse arbeidsmarkt in gevaar brengen. Volgens Eurostat werken in Groot-Brittannië ongeveer vijf miljoen buitenlanders, waarvan er officieel slechts 15.000 afkomstig zijn uit Bulgarije. Verschillende analisten denken dat het werkelijke aantal veel hoger ligt, maar het is niet erg waarschijnlijk dat hun aanwezigheid een belasting vormt voor een land met 63 miljoen inwoners. Ze zien zich gedwongen om als zelfstandige te werken, wat inhoudt dat ze genoegen nemen met een inkomen dat onder het minimumloon ligt, geen premie afdragen aan lokale ziektekostenverzekeraars en alleen concurreren met andere immigranten die er net zo beroerd aan toe zijn als zijzelf.

Een recent onderzoek van de BBC heeft de keerzijde van dit systeem laten zien door met een verborgen camera te filmen wat een kamermeisje uit Roemenië overkomt. Als ze vraagt waarom ze maar een derde van het normale minimum uurloon betaald krijgt, verscheurt de dame van het uitzendbureau gewoon het contract en stuurt ze haar de laan uit.

Bulgaarse leiders zijn verantwoordelijk

In de ogen van eerlijke Bulgaren is hier zelfs sprake van dubbele discriminatie, omdat ze door Europa worden gestraft voor de armoede in hun land. Men probeert de enige uitweg te versperren die ze nog hebben om uit de crisis van de afgelopen twintig jaar te komen, namelijk de vertrekhal van het vliegveld van Sofia, symbool van de hoop dat het leven, hoe beroerd ook in eigen land, elders onder betere omstandigheden opnieuw kan worden begonnen. Bijna een miljoen jongeren heeft het land al verlaten en anderen dromen ervan om hetzelfde te doen. Het sluiten van de grenzen zal in Bulgarije ongetwijfeld tot anti-Europese gevoelens leiden en de binnenlandse problemen alleen maar groter maken. Potentiële nieuwe immigranten verleggen hun toekomstperspectief logischerwijs naar landen in de nieuwe wereld, maar hoe kan daarmee de identiteit en de kracht van het nieuwe Europa worden versterkt? Het spreekt vanzelf dat de Bulgaren hun woede in de eerste plaats moeten richten op hun leiders, die niet alleen verantwoordelijk zijn voor het ellendige bestaan dat ze in eigen land leiden, maar ook voor het slechte imago dat ze in de rest van de wereld hebben. Onze minister-president Boïko Borissov, die door het buitenland niet langer als redder in de nood wordt gezien, zou misschien eens aan zijn Britse collega David Cameron kunnen vragen of dit is wat hij verstaat onder hun vriendschappelijke relatie, die op 7 augustus in Londen nog zo werd geroemd. Was het niet zo dat ze elkaar tutoyeerden? “David en ik hebben afgesproken...” “Ik zei tegen David...” snoefde Borissov na zijn bezoek aan Downing Street. Laat hem dan nu de telefoon pakken en zeggen: “Luister eens, David, nu is het genoeg geweest!