Een nieuw spookbeeld waart door Europa. Het is niet meer het communisme, maar alle krachten van de Oude Wereld verenigen zich wel weer in een heilige kruistocht om ten strijde te trekken tegen een spookbeeld, net als in 1848, om de metafoor van Marx en Engels maar eens te gebruiken. Deze keer zijn het de financiële markten, het decadente speculeren, het veronderstelde vermogen van speculanten om het evenwicht van de lidstaten van de Europese Unie en zelfs de euro in gevaar te brengen, zoals de Zweedse minister van Economie, Andres Borg, zei toen hij sprak over “meutes hongerige wolven” die het bestaan van de staten in de 21e eeuw zouden bedreigen.

Het beeld van de krachtmeting op leven en dood tussen politiek en speculanten is nu onderwerp van de openbare discussie. De metafoor is populistisch. Maar hij spruit voort uit een waar tarten van de autoriteit van het instituut Staat in de hedendaagse samenleving en niet alleen in Europa: hij brengt de zwakte aan het licht van de nationale regeringen ten opzichte van de heftige uitbarstingen van de steeds ernstiger wordende mondiale problemen.

"Lafhartigheid en gebrek aan onafhankelijkheid van nationale regeringen"

De schokgolven die veroorzaakt zijn door de kapitaalmarkten weerspiegelen slechts het huidige beeld van de zwakte van de staten in deze tijd van globalisering. Dat zijn problemen waar de structuur van de staten machteloos tegenover staat. De steriele G20 top in Canada [eind juni] heeft overigens aangetoond dat de internationale samenwerking niet in staat lijkt deze lacune op te vullen.

Het is de paradox van deze tijd”, zegt David Held, politicoloog aan de London School of Economics. “De globalisering heeft enorme mogelijkheden gecreëerd en de vooruitgang geweldig gestimuleerd. Maar het zijn altijd diezelfde logge staatsapparaten die de lastige transnationale gevolgen van die globalisering in de weg staan. De kloof tussen de mondiale problemen en de middelen die plaatselijk blijven wordt in een razend tempo dieper en dat is een potentieel gevaar.

In een recent artikel wijst de Duitse filosoof Jürgen Habermas met een beschuldigende vinger naar het ontbreken van politieke wil. “Maar de goede bedoelingen stuiten niet zozeer op de ‘complexiteit van de markten’ als op de lafhartigheid en het gebrek aan onafhankelijkheid van de nationale regeringen. Ze stuiten op een voortijdig afzien van internationale samenwerking die tot doel heeft het vermogen tot politieke interventie te ontwikkelen waaraan het ze ontbreekt… en dit over de hele wereld, in de Europese Unie en met name in de eurozone.”

Er zijn inderdaad problemen die een staat niet alleen kan oplossen. Het drama is dat zelfs de pogingen van grote regionale blokken kunnen verdampen door laksheid of tegengestelde — maar daarom niet minder legitieme — belangen van andere spelers. Zo leidde de goede wil van de EU op de klimaattop tot niets door de weigering van andere mogendheden om samen te werken. Op de G20 was de overeenkomst tussen Europa en de Verenigde Staten niet voldoende voor een besluit om de activiteiten in de bankensectoren te belasten. “De internationale problemen zijn niet nieuw. Wat wel nieuw is, is de technologie, die de wereld een nieuw tempo oplegt”, stelt Ignacio Urquizu, professor sociologie aan de universiteit Complutense van Madrid. “De instellingen moeten zich aan dit nieuwe tempo aanpassen. De organisatorische structuur van de instellingen is duidelijk zeer inefficiënt. De essentie van het probleem zit hem denk ik echter in het ontbreken van leiderschap. De grote sprong voorwaarts van de EU is onverbrekelijk verbonden met de persoon van Jacques Delors. Het is niet alleen een kwestie van constitutionele structuur maar ook van politiek leiderschap.

Internationalistisch antwoord leidt niet altijd tot een utopie

Het tafereel toont echter ook andere facetten. Veel waarnemers benadrukken dat er bij deze twijfel en moeilijkheden revolutionaire bewegingen ontstaan. De EU heeft een gemeenschappelijk stabilisatiefonds van 500 miljard euro ingesteld, hetgeen niet voorzien was in het verdrag van Lissabon, en zelfs in zekere zin tegen de tekst indruist. Nieuwe gemeenschappelijke competenties lijken ten gevolge van de crisis vorm te krijgen. De EU is op zich een voorbeeld van het feit dat een internationalistisch antwoord op de crisis niet altijd tot een utopie hoeft te leiden. De EU kan daar opnieuw het bewijs van zijn. Andrew Hilton, directeur van het Center for the Study of Financial Innovation, wijst erop dat “80% van de financiële regelgeving van de City of Londen uit Brussel afkomstig is”. “Het feit dat er 27 financiële regelgevingen in de EU zijn en 160 andere in de wereld is niet onvermijdelijk”, voegt de analist eraan toe. De grote economische blokken hebben uiteindelijk een zeer pragmatische normatieve invloed.

Hoewel de stabiliteit alle aandacht opeist, is het probleem systemisch. “Wij staan voor een ondubbelzinnig alternatief, zegt Held. Wij kunnen de instellingen van 1945 [VN, IMF, Wereldbank] hervormen en ontwikkelen, of ze vanzelf laten omvallen.” De aanpassing lijkt een gigantische, utopische taak. En dat is ook zo. Maar wie had er in 1939 gedacht dat de Europeanen nauwelijks veertig jaar later in algemene verkiezingen hun afgevaardigden zouden kiezen voor een transnationaal parlement met echte macht?