Toen David Cameron zeven jaar geleden leider van de Britse Conservatieven werd, gaf William Hague hem een strenge waarschuwing over het onderwerp Europa mee. Blijf daar maar ver uit de buurt, adviseerde Hague, die uit persoonlijke ervaring als leider van de Tories (van juni 1997 tot september 2001) wist welke schade het kon aanrichten. Hague voegde eraan toe dat Europa moest worden beschouwd als een ‘bom’ die nooit onschadelijk zou kunnen worden gemaakt, en op ieder moment zou kunnen ontploffen. De verstandigste koers was het onderwerp met rust te laten en er maar het beste van te hopen.

Cameron luisterde goed. In de oppositie deed hij zijn best om problemen te vermijden, en tijdens de beginperiode van zijn regering des te meer. Europa bleek het makkelijkste punt in de coalitie-onderhandelingen met de Liberaal-Democraten, nadat Cameron zijn ‘ijzeren’ garantie van een referendum over het Verdrag van Lissabon had laten varen. Op één zeer dramatische uitzondering na – het veto van vorig jaar december over het verdrag – heeft zijn regering zich geconcentreerd op minder gevaarlijke onderwerpen.

Plotseling is echter heel duidelijk geworden dat – zeven jaar na de waarschuwing van de huidige Britse minister van Buitenlandse Zaken – de 'Hague-doctrine' is losgelaten. De afgelopen dagen hebben een paar ministers, zonder dat Hague daar iets van wist, laat staan mee instemde, anti-Europese geluiden laten horen. De eerste die dat deed was minister van Binnenlandse Zaken Theresa May, die nu wordt genoemd als een mogelijke leider van de Conservatieven. Op de partijconferentie van 7 tot 10 oktober tartte zij een van de meest fundamentele geloofsstukken van de Europese Unie, toen ze beloofde het vrije verkeer van personen tussen de lidstaten ter discussie te zullen stellen. Hoe zij dat precies wilde doen werd er niet bij gezegd.

Conservatieve partij heeft keerpunt bereikt

Vervolgens viel May Brussel op 16 oktober opnieuw aan, ditmaal door haar twijfel te uiten over het Europees Arrestatiebevel. Ze kreeg steun van minister van Defensie Philip Hammond, die onlangs heeft opgeroepen tot een “herziening” van de betrekkingen tussen Groot-Brittannië en Europa.

Maar de belangrijkste bijdrage aan dit debat tot nu toe kwam van Michael Gove. De minister van Onderwijs heeft gezegd dat hij, als er morgen een referendum zou worden gehouden over de Europese Unie, vóór een Britse terugtrekking zou stemmen.

Het belang van deze opmerkingen kan nauwelijks worden overschat. Hoewel veel mensen Europa hebben bekritiseerd, heeft sinds de vroegere Labour-leider Michael Foot ruim een kwart eeuw geleden geen hoge Britse politicus het nog aangedurfd het verbreken van de betrekkingen te bepleiten. Sinds de verpletterende nederlaag van Foot bij de verkiezingen van 1983 heerst er overeenstemming onder alle belangrijke politici van de drie grote partijen dat het Britse lidmaatschap van de Europese Unie, hoe irritant dat in de praktijk ook mag zijn, in beginsel een goede zaak is.

Het besluit van Gove om met deze consensus te breken zou alleen al van groot belang zijn als hij de enige was. Maar naar verluidt heeft hij de steun van ongeveer de helft van de Conservatieve kabinetsleden. Er is zelfs reden om te veronderstellen dat Gove, als goede vriend van de premier, namens Cameron een proefballonnetje heeft opgelaten.

Het is dus duidelijk dat de Conservatieve partij een keerpunt heeft bereikt. Cameron heeft besloten het risico te nemen de Europese ‘bom’ te laten ontploffen, in het volle besef van de consequenties. Op het eerste gezicht lijkt dit een daad van waanzin. Waarom heeft de premier tot deze gevaarlijke koers besloten?

Regeringsleden radicaliseren als het over de EU gaat

De eerste reden is dat het regeren zelf – dat ministers normaal gesproken voorzichtiger en pragmatischer maakt – ze doet radicaliseren zodra het over Europa gaat. Gove heeft bijvoorbeeld ontdekt dat de richtlijnen van Brussel het voor hem lastiger maken slechte schooldirecteuren te ontslaan. Minister van Arbeid en Pensioenen, Iain Duncan, heeft te maken met soortgelijke ervaringen nu hij probeert de verzorgingsstaat te hervormen. Zo heeft vrijwel iedere minister wel een eigen verhaal te vertellen.

De tweede reden heeft betrekking op de Ukip (UK Independence Party, Britse Onafhankelijkheidspartij, eurosceptisch). Net zoals de BNP (British National Party, Britse Nationale Partij, extreem-rechts) vooral wordt gesteund door mensen die anders Labour zouden stemmen, rekruteert de Ukip zijn kiezers voornamelijk onder aanhangers van de Conservatieven. Tory-strategen zijn bang dat de partij bij de Europese verkiezingen van 2014 als grootste uit de bus kan komen, zodat de Conservatieven op de derde plaats belanden. Bij de nationale parlementsverkiezingen zou de Ukip uiteraard niet zo verbluffend presteren, maar zij zou de Conservatieven wel een aantal procenten van hun stemmentotaal kunnen kosten, waardoor het voor Cameron onmogelijk wordt om te winnen en de Tories een behoorlijk aantal parlementszetels zouden kwijtraken.

De premier moet ook rekening houden met de kracht van het sentiment binnen de Conservatieve partij. Het is nog geen jaar geleden dat 81 parlementariërs de druk vanuit de regering weerstonden toen de vraag aan de orde kwam of er een referendum over de Europese Unie moest plaatsvinden, de grootste rebellie ooit inzake Europa. De meningen zijn sindsdien verhard, en de komende paar maanden worden nog een paar stemmingen over Europese kwesties verwacht, waaronder één over de nieuwe bankenunie.

Gevoelsmatige verandering

Maar het is de vierde reden die het meeste gewicht in de schaal legt. Er is sprake van een gevoelsmatige verandering. Veel Conservatieve ministers geloven nu in het diepst van hun hart dat de toekomst van Groot-Brittannië buiten de Europese Unie ligt. Ze maken niet alleen anti-Europese geluiden uit tactische overwegingen, of die nu met de Ukip te maken hebben, met (on-)gehoorzaamheid aan de partijlijn, of met het verhogen van hun persoonlijke populariteit. Ze doen het omdat ze erin geloven.

Dit is van enorm belang als je bedenkt dat het bijna twintig jaar geleden is dat de rebellie tegen het Verdrag van Maastricht van John Major zijn hoogtepunt bereikte. Destijds leken de rebellen een randgroepering. De hoofdstroom van de Conservatieven steunde het Britse lidmaatschap van de Europese Unie. Als een minister destijds het soort opmerkingen had gemaakt dat Michael Gove maakte, zou hij of zij zijn gedwongen om op te stappen. Nu is daar geen sprake van. Gove heeft zijn opmerkingen niet eens hoeven terugnemen.

Er blijft nog wel een raadsel bestaan. Deze jongste golf van anti-Europese retoriek lijkt tot nu toe louter bombast, in welk geval zij alleen maar hoop opwekt die nooit zal worden vervuld, zodat er straks weer nieuwe beschuldigingen van verraad zullen weerklinken.

Maar ik denk dat de minister van Onderwijs en zijn aanhangers in het kabinet echt bereid zijn te proberen Groot-Brittannië uit de Europese Unie te doen treden. Dit is een moedige en heel serieuze koers. Ik hoop dat ze weten wat ze doen. Als dat niet zo is, en de metaforische ‘bom’ van de minister van Buitenlandse Zaken afgaat, kan het allemaal heel bloedig en verschrikkelijk worden.