De afgelopen decennia zocht de subcultuur in vele grote steden bij voorkeur woonruimte in de onaantrekkelijke, verpauperde wijken en blies die nieuw leven in. Vaak gaat het daarbij om kunstenaars en andere creatievelingen die fungeren als avant-garde van de stadsvernieuwing. Ze zijn altijd op zoek naar goedkope woonruimte, betaalbare ateliers en kantoorruimte en bevolken daarmee de wijken waaruit andere mensen liever vandaag dan morgen willen vertrekken.

Een tijdlang leek het erop dat er daardoor een nauwe band was ontstaan tussen de linkse, sociaalkritische tijdgeest en de artistieke ontplooiing. In steden als Frankfurt, Hamburg en Berlijn verdedigden de creatieve bewoners, vaak met de nodige humor en overredingskracht, hun woningen en ateliers tegen verbeten stedenbouwkundigen en gewetenloze saneerders. De huidige, zeer levendige wijken in deze steden zijn dan ook vooral aan hen te danken. Sinds de Wende in Duitsland zijn voor de klassieke krakers met politiek-ideologische motieven voor hun handelen vaak kunstenaars en creatievelingen met een persoonlijke ambitie in de plaats gekomen.

Extreemlinks in de clinch met succesvolle kunstenaars

Vervolgens voltrekt zich echter bijna altijd hetzelfde veranderingsproces – in Berlijn, Hamburg of Keulen, maar ook in Amsterdam, Kopenhagen, Barcelona, Londen, Warschau of Praag: nadat kunstenaars en creatievelingen in een wijk zijn komen wonen, volgen al snel trendy cafés en restaurants. Daar zitten dan al gauw jongemannen met baarden van drie dagen en jonge post-neo-nogwat- dames in hippe, nostalgische tweedehands kleding op hun laptop te werken en nieuwe 'projecten' te plannen. Ineens wordt de door hen bewoonde wijk beschouwd als interessant, dus komen er onconventionele winkeltjes en bedrijfjes bij, gevolgd door galerieën en architectenbureaus. En al gauw gaan dan ook de huren omhoog.

Het feit dat een aantal leden van een links-extremistische groepering onlangs in Berlijn een galerie belaagde toont al wel hoe zeer de typeringen tegenwoordig zijn veranderd. Kunstenaars en creatievelingen worden vandaag de dag niet meer beschouwd als rebelse avant-garde, maar als voorbode van de opwaardering van de wijk en als vertegenwoordigers van een nieuwe bezittende klasse. Het conflict toont niet alleen de reactionaire opvatting over kunst bij de belagers, die kunstenaars blijkbaar alleen tolereren als die hun eigen doel dienen.

De strijd laat bovendien zien hoe zeer de relatie tussen kunst en politieke gezindheid is veranderd. De hippe kunstenaars met hun designerbrillen en hun kunstzinnige kleding ageren allang niet meer tegen de burgerlijkheid, maar willen zelf bij het establishment horen. Ze zijn gesocialiseerd in een tijd, waarin de creatieve economie uitgroeide tot een van de snelst groeiende branches en de kunstbranche tot een dienstverlenende tak voor hoogwaardige beleggingen.

De meeste creatievelingen behoren tot de onderklasse

De samensmelting van creatieve impulsen en big business is nergens duidelijker zichtbaar dan hier. Het beeld van de kunstenaar als mensenschuwe zonderling en kluizenaar aan de zelfkant van de samenleving klopt allang niet meer – succesvolle kunstenaars zijn vaak partyclowns, die altijd in het middelpunt van de belangstelling staan. Ze doen aan een gecalculeerde vorm van netwerken, net als ondernemers, bezoeken overal ter wereld kunstbeurzen en zitten net zo vaak in het vliegtuig als andere mensen in de bus.

Zoals zo vaak slagen ook in deze branche alleen de gebruikelijke happy few er in om werkelijk door te breken. Hun carrière blijft echter als voorbeeld dienen voor een hele generatie van opvolgers, die kunst niet meer beschouwen als een bijzonder onzekere, burgerlijke manier om je geld te verdienen, maar als mogelijkheid om snel aan de top te komen.

In dat kader is het logisch dat stedenbouwkundigen en investeerders proberen kunstenaars en creatievelingen voor zich te winnen. Beroemd zijn de stellingen van de Amerikaanse socioloog Richard Florida, waarin hij beweert dat er een nauwe relatie bestaat tussen cultuur en economische groei, waarbij vooral culturele omgevingsfactoren zoals de locatie van doorslaggevend belang zijn.

In feite is het monotone beeld van de kunstenaar als ondernemer echter een cliché. En dat heeft niets te maken met de realiteit van alledag van de meeste creatievelingen. Zo behoren de meeste kunstenaars juist in steden als Hamburg, Keulen en Berlijn, die zo graag pronken met hun creatieve economie, op basis van hun gemiddelde jaarinkomen tot de sociale onderklasse. Vaak zijn zij de eersten die zich de hoge huren in de trendy wijken niet meer kunnen veroorloven, ook al hebben ze deze ontwikkeling zelf ooit in gang gezet.

Kunstenaars en creatievelingen, vaak de voorbode van de opwaardering van een wijk, behoren dan ook meestal tot de verliezers in het proces van razendsnelle veranderingen, terwijl ze door het grote publiek vooral worden beschouwd als winnaars. Dit verschil in perceptie bewijst maar weer dat het dankzij de liberale tijdgeest is gelukt om een hype te creëren waar inmiddels zelfs links-extremistische groeperingen in willen geloven.