Enkele weken geleden was ik in Madrid. Het was een van de dagen dat er werd gedemonstreerd tegen de regeringen en het harde optreden van de politie, waarover onze kranten en televisiezenders ruimschoots hebben bericht en waarvan – vooral op televisie – soms de draagwijdte en het geweld wat wordt overdreven. Toen ik me bij toeval in een van deze licht ontvlambare gebieden bevond, moest ik denken aan de demonstraties van Triëst meteen na de oorlog, de protesten in de jaren zeventig, de straatgevechten in Genua in 1960, of die naar aanleiding van de G8 in 2001, die allemaal veel beangstigender waren. Wat ik hier proefde was echter geen angst, maar onbehagen, een onbehagen dat overging in een vage vrees die het eigen individu overstijgt, een waar gevoel van onrust.

Juist de begrijpelijke motieven die ten grondslag liggen aan het protest – de steeds zwaardere levensomstandigheden voor steeds meer mensen, de toenemende moeilijkheden om in de eerste levensbehoeften van de bevolking te voldoen (zorg, sociale bijstand, pensioenen, werk) – wekten een loodzware, verslagen triestheid op. Ze maakten de dreigende grauwe toekomst van een troosteloos leven en een mensonterend bestaan fysiek voelbaar. Ze gaven alles bij elkaar een gevoel van onveiligheid, zoals de filosoof Zygmunt Bauman ook onlangs zei.

Belemmerd in ontplooiing en opbouwen van bestaan

Dit gevoel van een frustrerende en onoverzichtelijke toekomst baart mijn generatie niet onmiddellijk zorgen: net als de ouderen van de generatie van Italo Svevo interesseert de toekomst ons niet persoonlijk. Ons universum is het hier en nu, dat we moeten grijpen en waarvan we moeten genieten of dat we moeten ontwijken als het ons leed berokkent. Mensen van mijn generatie treuren niet zo om onzekerheden of een mogelijk troosteloze toekomst; over het algemeen hebben wij namelijk al een tijd geleden de kaarten getrokken aan onze speeltafel. Kaarten waarmee we de tijd die ons rest waarschijnlijk wel aardig kunnen doorkomen. Maar degene voor wie nu de levensfase aanbreekt die beslissend is voor zijn verdere bestaan, diens kwaliteit en betekenis, voelt zich belemmerd in zijn ontplooiing, in zijn wens om zijn eigen bestaan op te bouwen en het eigen recht op geluk op te eisen zoals dat zo mooi in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring staat. Dan raakt de verbijstering zelfs degene die niet voor zichzelf vreest en er, wat hem betreft, gewoon op los zou blijven leven terwijl hij zijn meer dan toereikende voorraadkast leeghaalt; de verbijstering grijpt hem en niet alleen omdat hij vreest voor anderen die hem even dierbaar zijn als hijzelf – kinderen, kleinkinderen – maar omdat we samen verantwoordelijk zijn voor het lot dat ons allen treft en omdat we niet gelukkig kunnen zijn als we worden omringd door treurnis en niet echt levend kunnen zijn in een uitgedoofde wereld.

Op datzelfde moment berichtten de kranten in Madrid dat het separatisme in Catalonië steeds heviger wordt en over de aftakeling en de verlamming die als gevolg hiervan de politiek van het hele land, dat grote en vitale land dat Spanje is, en van Europa in zijn geheel treft. Er hangt een gevoel in de lucht alsof Europa zijn nadagen beleeft. Deze demonstraties lijken – net als die in veel andere gebieden van Europa – niet de uitdrukking van een politieke opstand, van een alternatief plan, dat wellicht discutabel of onaanvaardbaar is, maar nog altijd een toekomstplan; ze roepen niet het beeld op van een aanvallend leger, maar eerder van divisies die marcheren voor het ceremonieel strijken van de vlag.

Europese staat zou geld kunnen besparen

De Europese Unie – met haar commissies, haar gekunsteldheid en behoedzaamheid, haar noodzaak tot het sluiten van compromissen, het verlammende uitspreken van veto’s van haar lidstaten en haar eindeloze bemiddelingen die steeds meer op patstellingen lijken – die Europese Unie leek en lijkt ver weg als de keizer van de beroemde Kafkaëske parabel waarin de beslissende boodschap onderweg is maar nooit aankomt. En gevoed door de economische crisis groeien in de tussentijd het verziekende nationalisme, het particularisme, het localisme, de stompzinnige en wrokkige separatistische pretenties, in het absurde verlangen dat elke nationaliteit of elk volk, dat zich uiteraard volledig moet kunnen ontwikkelen, een staat kan of moet worden (Zwitserland zou dus moeten worden opgedeeld in vier landen, iets waar de Zwitsers niet om lijken te springen) en dat de opsluiting in rancuneus separatisme de economische crisis kan oplossen.

Onze enige mogelijke realiteit, de enige die veiligheid en stabiliteit kan garanderen, is Europa. Een Europese staat, een werkelijke Staat – federaal, gedecentraliseerd, maar met samenhang en een gezaghebbende overheid, zoals de Verenigde Staten – een Europa waarin de huidige nationale staten regio’s worden, ieder met zijn eigen autonomie maar zonder bijvoorbeeld een vetorecht voor de politieke beslissingen van een regering die werkelijk regeert, en zonder het recht om wetten of grondwetten aan te nemen die in strijd zijn met de beginselen van de Europese grondwet. Een Europese staat waarvan het gezag niet is gebaseerd op waarschuwingen en vermaningen maar op de doeltreffendheid van een Europees recht dat door iedereen wordt erkend.

Een echte Europese staat is de enige mogelijkheid voor een waardige toekomst. De problemen van vandaag zijn niet meer nationaal, ze raken iedereen; zo is het belachelijk om in de verschillende landen verschillende wetten te hebben op het gebied van migratie. Dat is net zo belachelijk als wanneer Bologna en Genua hier verschillende wetten voor zouden hebben. Een ware Europese staat zou veel geld kunnen besparen, bijvoorbeeld op de talloze commissies, vertegenwoordigingen en parasitaire instellingen. Europa is op zich een grote mogendheid en het is pijnlijk te zien hoe vaak het vervalt tot een twistzieke, of erger nog, een omzichtige en tandenloze bewonersvergadering. Om tegen zichzelf opgewassen te zijn, om echt Europa te worden, zou de Europese Unie met gezag en vastberadenheid moeten worden geregeerd, zonder oecumenische vaagheid of angst om, al naar gelang de situatie, streng op te treden tegen degenen die hun eigen huis schoon willen houden door hun afval bij de buren te gooien. Waarschijnlijk is de Europese Unie niet in staat om echt kordaat op te treden, maar als ze zo doorgaat, zal het haar einde worden en zal Europa een leeglopende bioscoop zijn waar de lichten uitgaan.

Niet overgeven aan melancholie

Voor het eerst in de geschiedenis wordt geprobeerd om een grote politieke gemeenschap op te richten zonder oorlog als instrument. Juist het afwijzen van oorlog vereist een overheid die werkt; besluiteloosheid is geen democratie, maar de doodsteek ervan.

Als men het gevoel heeft dat het verenigde Europa barsten vertoont en uiteenvalt is het voor wie in een verenigd Europa gelooft vanzelfsprekend om dat gevoel van onbehagen en depressie te hebben zoals die avond in Madrid. Natuurlijk betekent dat niet dat je je moet overgeven aan melancholie; we zijn hier niet om toe te geven aan onze gemoedstoestanden, aan melancholie die soms voortvloeit onderbuikgevoelens. Onbehagen of niet, we blijven knokken zoveel we kunnen voor dat wat men juist acht of het minst slechte, in de hardnekkige overtuiging dat “zij niet zullen zegevieren”, dat ze ons niet te pakken zullen krijgen. Het onbehagen en de pessimistische vermoeidheid zijn een kwaad dat moet worden bestreden. Vooral als het zich, zoals nu, steeds meer verspreidt. Het moet gezegd, als we de hoopvolle documenten lezen van de founding fathers van een verenigd Europa, zoals het Manifest van Ventotene van Spinelli, Rossi en Colorni, bemerken we dat in dit verschrikkelijke tijdperk – om met de woorden van Karl Valentin, de geniale cabaretier en inspirator van Brecht te spreken – de toekomst vroeger beter was.