Een hoge, witte toegangspoort met spiksplinternieuwe tralies. Het lijkt wel of we ons aan de ingang van het domein van de mythische Ewing-clan in Texas bevinden. Alleen de bel die in Florence is gemaakt, verraadt dat dit voormalige jachtverblijf van de graven Széchenyi in het zuidwesten van Hongarije, eigendom is van Carlo Benetton van het gelijknamige Italiaanse textielimperium. In Argentinië is Benetton eigenaar van gigantische landerijen en in Hongarije exploiteert hij 7000 hectare, beplant met maïs, graan en populieren.

In de volksmond wordt het kasteel ‘Dallas’ genoemd”, glimlacht Harri Fitos, gemeentesecretaris van Görgeteg ten zuiden van het Balatonmeer. Het dorp, dat 1200 inwoners telt, is omgeven door hekken die de velden tegen wild moeten beschermen. Sommigen hebben het daarom al ‘Alcatraz’ gedoopt, naar de voormalige Amerikaanse gevangenis. Het werkloosheidspercentage ligt hier op 50% en de kans op een baan is zeer klein, behalve in de beveiliging van landgoed.

Hongarije heeft geen olie. Maar het land heeft wel bebouwbare grond – meer dan 5 miljoen hectare – en daar bestaat grote belangstelling voor. Want het verbod voor buitenlanders om land in Hongarije te kopen, dat sinds 1994 bestaat en bij de toetreding van het land tot de Europese Unie in 2004 werd verlengd, zal eind mei 2014 worden ingetrokken. Althans, dat zijn de verwachtingen in Brussel.

Spanning tussen boeren en oligarchen

De regering is nu een race tegen de klok gestart om ervoor te zorgen dat deze bron van rijkdom zoveel mogelijk in Hongaarse handen blijft. In de nieuwe landbouwwet die op initiatief van de conservatieve regering van Viktor Orbán in juli is aangenomen, is het buitenlanders verboden om in de toekomst landbouwgronden te kopen en zijn contracten die onder tafel zijn gesloten met het oog op het opengooien van de markt, ongeldig.

Alle deskundigen zeggen dat Hongarije een enorm potentieel heeft”, aldus Peter Roszik, voorzitter van de landbouwkamer van Györ-Moson-Sopron langs de grens met Oostenrijk. “Iedereen aast op onze landbouwgrond. Er zijn zes tot acht keer meer kandidaten dan er beschikbare percelen zijn.

Er blijft niets over om te verdelen, afgezien van een half miljoen bebouwbare hectare van de publieke sector die de regerende partij Fidesz tijdens de verkiezingscampagne van 2010 had beloofd te reserveren voor familiebedrijven.

Vandaag de dag neemt de spanning toe tussen de kleine Hongaarse boeren, die elk dubbeltje om moeten draaien, en de “oligarchen” die vaak nauwe banden met Viktor Orbán onderhouden en die onlangs hebben geprofiteerd van de toewijzing van landbouwgronden (zo’n 100.000 hectare) die de staat hun twintig jaar lang voor een appel en een ei verhuurt.

Maar de grond is letterlijk goud waard: “In notariële akten wordt grond in Hongarije nog steeds uitgedrukt in gouden kronen, uit de tijd van koningin Maria Theresia”.

Hongarije, een “bananenrepubliek”

De staatssecretaris van landbouw en voorvechter van kleine boeren Jozsef Angyan is eind januari met veel tamtam afgetreden om protest aan te tekenen tegen deze vriendjespolitiek. Sindsdien komt Jozsef Angyan, die nog steeds parlementslid is voor de conservatieven, steeds met cijfers waaruit blijkt dat de “groene” of “oranje baronnen” – de kleur van Fidesz – het leeuwendeel voor zichzelf opeisen.

De landbouw is een uitstekende business, niet alleen vanwege de Europese subsidies van zo’n 200 euro per hectare, maar ook doordat agrarische bedrijven gedurende ten minste vijf jaar vrijgesteld zijn van inkomstenbelasting. Slimmeriken kunnen zo tot 75 miljoen forint [bijna 264.000 euro] per jaar opstrijken voor 1000 hectare.

Als buitenlanders ook naar believen zouden mogen investeren, dan zou de prijs van de landbouwgrond stijgen, maar het rendement ervan zou lager uitvallen: dat is de “prozaïsche waarheid die achter deze nationalistische ijver schuilgaat”, analyseert de Oostenrijkse jurist Peter Hilpold in het dagblad Die Presse.

De Hongaarse media steken niet onder stoelen of banken dat 58% van de parlementsleden grond in bezit heeft, dat meestal aan derden verpacht wordt. Jozsef Angyan waarschuwt dat de aantrekkingskracht van grondspeculaties dusdanig groot is dat Hongarije binnenkort misschien veel weg zal hebben van een “bananenrepubliek” met prikkeldraad eromheen en gewapende bewakers om de toenemende criminaliteit een halt toe te roepen. We zien dat gronden hier en daar bezet worden, waaruit blijkt dat de sfeer ernstig begint te verzieken.

Autoriteiten gaan zelf xenofoob te werk

Ander Balazs, departementsvertegenwoordiger in Görgeteg van de extreemrechtse partij Jobbik, de derde grootste partij in het parlement, doet er nog een schepje bovenop: “het is hier al Latijns-Amerika”. Ander Balazs heeft zich gevoegd bij een groepje gespierde demonstranten die samen zijn gekomen om het toegangshek tot een van de landgoederen van Carlo Benetton te slopen.

De vraag is waarom juist Benetton onder vuur wordt genomen. Hij heeft zijn landerijen immers in alle legaliteit gekocht aan het begin van de jaren negentig na eerst land te hebben gehuurd van de voormalige communistische coöperatie. “Omdat het Italianen zijn, en geen Hongaren”, zegt Enikö Hegedüs, prominent lid van Jobbik, die die dag ook naar Görgeteg is afgereisd om hun standpunt kracht bij te zetten.

De autoriteiten in Boedapest gaan overigens zelf ook op xenofobe wijze te werk door twijfelachtige contracten [waarvan vermoed wordt dat ze voor buitenlandse handen bestemd zijn] ongeldig te verklaren. Volgens de huidige staatssecretaris van landbouw, Gyula Budai, “waren sommige van die contracten geregistreerd bij een notaris of advocaat. Maar ze waren nog ongedateerd, in afwachting van de beëindiging van het moratorium.” Dit was alles wat nog ingevuld hoefde te worden om de naam van de nieuwe eigenaar in het kadaster in te kunnen schrijven.

De autoriteiten hebben het vooral gemikt op Italianen, Belgen, Duitsers, Slowaken en natuurlijk Oostenrijkers. Volgens de autoriteiten zouden zij alleen al twee miljoen hectare in Hongarije in handen hebben. In werkelijkheid is dit tien keer zo weinig, beweert Ernst Zimmerl, landbouwattaché van Oostenrijk in Boedapest.

Terwijl we door Görgeteg lopen, onthult Harri Sitos de geheime onderonsjes waarover veel wordt gesproken op het Hongaarse platteland. Bijvoorbeeld een lap van 50 hectare van staatsbosbeheer die gratis ter beschikking is gesteld aan een “oligarch” met de juiste contacten, of een stuk grond dat in principe aan wild voorbehouden was maar waar nu maïs wordt gezaaid. “En dat is in geen enkel kadaster of bruto binnenlands product terug te vinden”, merkt hij op. “Hiermee vergeleken doen de Benettons wél alles volgens de regels”.