Niet één kaars en niet één bloem om hun een laatste eer te bewijzen. Op de plek waar ze zijn bezweken geen provisorisch altaar zoals je overal langs de Corsicaanse wegen ziet, plastic schildwachten die jarenlang de herinnering levend houden aan automobilisten die achter het stuur de dood vonden. Ook nauwelijks gedenkplaten, zoals voor de verzetstrijders op de Cours Napoléon [brede avenue in Ajaccio, red.].

Geen spoor van die ad memoriam die zijn opgericht ter nagedachtenis van militante leden van het Front de Libération Nationale Corse (FLNC) [een gewapende nationalistische beweging, red.], wier in marmer gegraveerde grafschriften bezweren dat ze, hoewel ze elkaar hebben uitgemoord, zijn gevallen voor de natie.

De afgelopen zes jaar, sinds de moord op Robert Feliciaggi, lid van de Corsicaanse Assemblee, wordt Ajaccio in een almaar hoger tempo bezocht door nieuwe spoken. De bestuurlijke hoofdstad van Corsica begint erdoor op een dodenakker te lijken.

De ‘Oorlog om de Combinatie’

De straten van de keizerlijke stad zijn inmiddels geplaveid met een nieuwe reeks doden: de slachtoffers, of de leden, van een handvol rivaliserende bendes die heer en meester zijn in de stad en zich hebben weten te bevrijden van de macht van de oude garde en de maffiabazen.

Een nieuwe dodelijke ontwikkeling die volgt op twee eerdere slachtingen. Die van 1995, toen tijdens de ‘burgeroorlog’ tussen nationalisten een dode in het ene kamp binnen vierentwintig uur werd gewroken met een moord in het andere kamp.

En de nog veel bloediger slachting die de stad veertig jaar daarvoor in opschudding bracht: de ‘Oorlog om de Combinatie’, genoemd naar een met sigaretten geladen vrachtschip dat aan de grond liep in de golf van Ajaccio. Het gevecht om de opbrengst van de lading heeft de onderwereld van Corsica en Marseille tientallen jaren in zijn greep gehouden.

Dodelijk ganzenbordspel

De spiraal van geweld, die niets te maken heeft met toeval of idealen, begint in feite op de parkeerplaats van het vliegveld van Ajaccio. Hier werd in 2006 Robert Feliciaggi gedood door twee kogels in zijn nek, terwijl hij zijn bagage opborg in de kofferbak van zijn BMW. Feliciaggi was een gezette, joviale zakenman in een blazer en met een sigaar, niet bepaald een schurk of een nationalist, en ook geen maffiabaas zoals sommige van zijn vrienden.

Daar, voor het kantoor van Avis waar reizigers zich verdringen om een auto te huren, zou deze eigenaardige odyssee kunnen beginnen, dit ganzenbordspel met dodelijke afloop dat voorlopig eindigt bij een bezinestation langs de Route des Sanguinaires, waar op 16 oktober advocaat Antoine Sollacaro werd vermoord.

‘Dokter Lafay' en 'dokter Simeoni’

Vanaf de parkeerplaats bij het vliegveld waar Robert, zoals heel Ajaccio hem noemde, werd neergeschoten, buigt de vierbaansweg die naar de oude stad leidt naar rechts af, naar het bedrijventerrein van Mezzavia; hier vielen binnen een omtrek van enkele tientallen meters niet minder dan vier doden.

Voor de school stierf Jules Massa, lijfwacht van de vermoorde nationalistenleider François Santoni. Aan de overkant, tussen een pizzakraam – waarin de verkoper werd geëlimineerd terwijl hij aan het werk was – en het voormalige Landbouwschap – waarvan de voorzitter, Lucien Tirroloni, in 1990 een paar dagen voor kerst voor de deur om het leven kwam door 25 kogels van 9 millimeter – hangt een gedenkplaat voor ‘dokter Lafay’. Deze dierenarts had een vereniging opgericht voor slachtoffers van terrorisme.

In 1982 raakte hij gewond door drie kogels uit een revolver van het FLNC. Vijf jaar later werd hij door televisiezender France 3 Corse uitgenodigd in de studio voor een discussie over ‘geweld’. Toen hij weer naarbuiten kwam, werd hij op de stoep neergeschoten. Op de archiefbeelden is te zien hoe ‘dokter Simeoni’, een van de hoofdpersonen tijdens de actie van de autonomisten in Aleria en tijdens de uitzending zijn opponent, mond-op-mondbeademing op hem toepast.

Niets veranderd in veertien jaar

Geweld overspoelt ons leefmilieu, vormt de mentaliteit, regelt de samenleving, is onderwerp van gesprek, vult de krantenkolommen, richt overal schade aan en vervuilt de straten”, schreef de Corsicaanse essayist Nicolas Giudici in scherpe bewoordingen voor hij in 2001 werd vermoord.

Onder aan de Cours Napoléon ligt de inmiddels maar al te beroemde Rue du Général-Fiorella. Naast bakkerij Kallisté-Bouffe, waar de gendarmes van de nabijgelegen kazerne hun broodjes kopen, hangt een van de weinige andere gedenkplaten van de stad. Op deze plek werd op 6 februari 1998 prefect Claude Erignac ‘lafhartig vermoord’ toen hij op weg was naar het Kallistétheater.

In de etalage van deze schouwburg, die niet meer in gebruik is, is alles bij hetzelfde gebleven: al veertien jaar hangt hier de aankondiging van Les frères corses, het epos van Alexandre Dumas dat zich afspeelt in het dorp Sollacaro. En het Orkest van Avignon speelt er nog steeds de Onvoltooide Symfonie van Schubert.

‘Malamorte’

Het nieuws van een ‘malamorte’, een gewelddadige dood, verspreidt zich binnen een paar minuten vanuit de café's van de stad door heel Ajaccio, gevolgd door de gebruikelijke aforismen. ‘Beter hij dan ik’; ‘je kunt beter de beul zijn dan het slachtoffer’; ‘je kunt beter de politie aan de deur krijgen dan de pastoor’. En vaak, met een hulpeloos gebaar: ‘Jij weet dan misschien niet waarom hij dood is, maar hij wel’.

De moord blijft een paar dagen het enige onderwerp van gesprek, maar zodra er iemand aan een tafeltje in de buurt komt zitten, gaat men zachter praten. Een inwoner van Ajaccio vertelt, anoniem en vijfenvijftig jaar na dato, dat hij als kind na een glas limonade bij Café Sporting schoten hoorde en schreeuwde: “Ze hebben François vermoord!

Ik herinner me nog de oplawaai die mijn vader me verkocht”. Over een moord praat je alleen onder elkaar, “vooral zomers, als alle ramen openstaan”.

Manunta overleefde negentig kogels

In het beste geval krijgt het slachtoffer een eigen zaal in het gerechtsgebouw, zoals de voormalige deken van de orde van advocaten Antoine Sollacaro waarschijnlijk wel te beurt zal vallen, of een eigen boulevard, zoals Marie-Jeanne Bozzi, die op 21 april 2011 werd vermoord op een parkeerterrein in Porticcio, waar ze burgemeester was.

Wie herinnert zich nog dat een militante nationalist met de naam Yves Manunta in 1996 aan het eind van de Cours Napoléon, vlakbij de zee en niet ver van de prefectuur, bijna werd vermoord? Hij overleefde niet minder dan negenennegentig kogels. In november 2011 floten de kogels hem opnieuw om de oren, vijftig dit keer, op minder dan achthonderd meter van de plek van de eerste aanslag. Zijn vrouw en dochtertje van tien jaar raakten gewond en worden sindsdien beveiligd door de dienst voor hooggeplaatste personen.

Yves Manunta was een van de oprichters van de Société méditerranéenne de sécurité (SMS), derde werkgever op het eiland. Dit bedrijf draagt zorg voor de beveiliging van vliegvelden en havens op Corsica en aan de Côte d'Azur. Op een bepaald moment kreeg hij onenigheid met zijn compagnon, Antoine Nivaggioni. Yves Manunta droeg een kogelvrij vest en bij een van de kroegen waar hij soms per scooter even langsging, grapte hij begin deze zomer nog: “Ze noemen me Survivor”.

Maar op 9 juli hebben zijn moordenaars hem afgemaakt op de hoek van de straat waar hij weigerde om als een kluizenaar een teruggetrokken leven te leiden. “In de bocht moet je toch elke dag onwillekeurig even aan hem denken”, zegt een ambtenaar van de Assemblee, die honderd meter verderop zetelt.

Het hoort bij ons erfgoed

Wat meer richting zee werd op 18 oktober 2010 Antoine Nivaggioni, de andere vennoot van de SMS, geëxecuteerd. Heel Ajaccio kende ‘Antoine’: hij was de zoon van de eigenaar van La Parisienne, een kruidenier op de Cours Napoléon die tot ‘s avonds laat geopend is. Twee mannen doken plotseling op uit een koffer op het dak van een auto die voor het gebouw geparkeerd stond. Gewapend met een luchtdrukgeweer, een kalasjnikov en een pistool lieten de schutters hem die dag geen enkele kans. “Ze hebben wel de gaten weer dichtgestopt”, mompelt een bewoner kijkend naar de kogelinslagen waarmee de muur bezaaid is. Pleisters op de stigmata van een moord die de stad maar liever wil vergeten.

“We denken een paar dagen, een paar weken aan de doden, en dan gaan we weer over tot de orde van de dag, zoals dat met alles gaat”, verzucht een kapper in de Rue Fesch, de belangrijkste winkelstraat van Ajaccio, waar op 29 januari 2009 een lid van een van de bendes van de stad werd doodgeschoten. “Hoe zal ik het zeggen? Het hoort bij ons erfgoed”, meent hij. “Als we overal een gedenksteen zouden plaatsen, zou de stad een kruisweg zijn”, voegt een ander eraan toe. Bijna woord voor woord wat Mérimée schreef over het ‘kerkhof’ dat de Place Porta in Sartène zou worden als men op iedere plek waar iemand werd vermoord een kruis zou neerzetten.

Het eiland houdt zichzelf voor de gek

Toen in april van dit jaar Jean-Pierre Rossi, eigenaar van een shoarmazaak bij het hoofdbureau van de politie, werd doodgeschoten toen hij rond middernacht zijn vuilnisbakken leegde, begreep iedereen al snel dat er sprake was van een vergissing. De hele stad fluisterde de naam van de buurman, die geluk had gehad, als je dat zo mag noemen. De sushiverkoper op de hoek wilde ter nagedachtenis een gedenkplaat ophangen, maar de meerderheid van de buurtbewoners was tegen. Al wat Jean-Pierre Rossi nu als gedenkteken heeft, is een bord van de makelaar met Te koop.

De doden moeten nooit het dagelijks leven overschaduwen. “Dat is geen lafheid, maar bescherming, een manier van leven en overleven. Wat moet je anders als je in een café een vent begroet die achttien jaar in de gevangenis heeft gezeten?” vraagt een plaatselijke journalist zich af. Volgens hem houdt de Corsicaanse samenleving zichzelf voor de gek. “Het eiland dient slechts als decor, net als in de Franse literatuur van de 19de eeuw. Wij zijn de enigen die nog denken dat Corsica onaangetast is. We leven hier in een soort Cinecitta zonder menselijke gedaante.

Van deze murder tour is in de literatuur geen spoor terug te vinden, zelfs niet zijdelings in de lokale detectives. En evenmin in de reisgidsen. “Ik heb met het idee gespeeld om een fotoboek te maken van al die kruizen langs de Corsicaanse wegen, maar ik heb dat plan laten varen”, bekent uitgever Jean-Jacques Colonna d'Istria. “Ik begreep dat er geen belangstelling voor was. Dus, die moorden...

's Morgens lezen de bejaarden van Ajaccio op het terras van café du Golfe of café Napoléon aandachtig de overlijdensberichten in de Corse Matin, voor ze 's middags hun condoleancebrieven versturen. “Op den duur ken je iedereen.” Maar als je het geheugen van een van hen prikkelt om meer aan de weet te komen over het patroon en de geheimen achter al die doden, maakt die zich er onmiddellijk met een grap vanaf: “Ik kan niets onthouden. Soms kom ik op straat mensen tegen van wie ik dacht dat ze allang dood waren, zo snel gaat het.