Stel dat Jezus een boerka zou dragen, zou zijn kruisbeeld dan evengoed op de muren van klaslokalen en openbare gebouwen prijken? De discussies over de sluier die het lichaam én het gezicht bedekt steekt overal de kop op dit jaar. Het begon allemaal met de Belgische en Franse wetgeving waarmee de boerka en de niqaab uit openbare ruimtes worden geweerd. Vergelijkbare voorstellen zijn er gedaan in Spanje en Groot-Brittannië. Ook Syrië heeft [op 18 juli] bekendgemaakt dat de boerka niet meer getolereerd wordt op universiteiten, iets dat enerzijds wél, maar anderzijds niet in het plaatje past: er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de argumenten die in de Arabische wereld gelden en de argumenten die de Europese discussies voeden.

Hier in Europa draait de discussie over het boerkaverbod zonder uitzondering en automatisch om de Islamitische vraagstukken waarmee de Christelijke cultuur mee wordt geconfronteerd, en waar deze cultuur vaak met twee maten meet. Voorstellen voor een boerkaverbod kunnen weliswaar niet op veel enthousiasme rekenen, maar wel op begrip. De zo verguisde “mobiele gevangenis”, die nergens in de Koran als verplicht wordt aangemerkt, is niet zozeer een uiting van een religieuze verplichting als wel van een afschuwelijk instrument van mannelijke overheersing, waarbij vrouwen to insecten worden gedegradeerd, zoals een vrouwelijke journaliste het eens omschreef. In Westerse ogen is de boerka een kafkaëske metamorfose.

Het kruis is een geraffineerd symbool

Maar de zwartgallige charmes van het Christelijke kruisbeeld zijn in vergelijking met de boerka evenmin onschadelijk. Wat betekent het eigenlijk als een beschaving een martelwerktuig vereert als haar embleem? Van een afstand bekeken zal het exhibitionistische fetisjisme van het lijden in de figuratieve traditie van het Westerse christendom net zo raar overkomen als de absurde verplichting je lichaam te verhullen in bepaalde islamitische landen. Als we niet zo gewend waren geraakt aan al die gekruisigde lichamen die overal rondhangen in de Westerse wereld, kronkelend in doodstrijd en compleet met geschilderde wonden druipend van het bloed, dan zouden ze best kunnen worden beschouwd als een vorm van onfatsoenlijke blootstelling.

Het kruis, met of zonder Jezus, is een geraffineerd symbool: het is een uitbeelding van de dood en tegelijkertijd symboliseert het de overwinning op de dood. Natuurlijk moet het martelwerktuig gezien worden als een teken van hoop, omdat de gekruisigde Christus uit de dood herrees. Maar zo eenvoudig is dat niet omdat het de vraag is of beelden wel het tegengestelde kunnen uitdrukken van wat ze op het eerste gezicht laten zien.

Naakte Jezusbeelden versus toegedekte vrouwen

Het is begrijpelijk dat de Westerse cultuur meer tolerantie opbrengt ten aanzien van haar eigen symbolen dan ten aanzien van die van haar zuidoostelijke buren. Maar toch moet men er bij stilstaan dat ze niet minder schadelijk en wreed zijn. Ook moet het westen zich niet verliezen in zijn verontwaardiging over Islamitische vrouwenhaat: het Westen tolereert nog steeds het verbod op vrouwelijke priesters in een van de grootste kerkgenootschappen, en veel nonnenkledij doet denken aan de boerka.

In de botsingen over symbolen die al dan niet getolereerd moeten worden – naakte Jezusbeelden versus toegedekte vrouwen – neemt de expliciete picturale traditie van het christendom het op tegen de Islamitische gewoonte om beelden te verbieden. Dat het Westen de sluier zo sinister en onmenselijk vindt, komt gedeeltelijk door zijn exhibitionistische cultuur, waarin vrijheid gelijk wordt gesteld aan openbaring, of het nu gaat om openbaring van zonden, om blootstelling van het lichaam, of om het laten zien van beelden van God. De Islam echter, net als het Judaïsme, komt niet tot uiting door middel van beelden, maar door de naleving van wettelijke voorschriften.

We moeten onze vooroordelen in overweging nemen

In affectieve termen, door een algemeen verbod in de voeren op de maar niet op het kruisbeeld, laat men nogmaals zien dat men en culturele strijd levert met het geloof, de wet en het gebod “Gij zult geen gesneden beeld maken”, dat de Christelijke cultuur sowieso nooit heeft nageleefd. Het Belgische en Franse boerkaverbod lijkt eigenlijk op een verbod op het beeldenverbod. Maar waarom? Waar zijn ze zo bang voor?

In de discussies over de boerka moeten we onze eigen culturele vooroordelen en wreedheden ook in overweging nemen, vooral in Europa. Dat wil niet zeggen dat er lichtvaardig met de boerka moet worden omgegaan, het is wel degelijk een instrument van onderdrukking. Maar is dat een reden voor de Staat om het te verbieden?

Een strikte seculaire zuivering van de publieke ruimte van religieuze symbolen zal zones van vrijheid scheppen, maar tegelijkertijd zal het verarming betekenen en een vorm van niet-religieus paternalisme in de maatschappij in de hand werken. Het is misschien beter om een meer gewogen houding in te nemen, zoals in de Duitse grondwet bijvoorbeeld, waarin de neutraliteit van de Staat wordt gecombineerd met de bescherming van godsdienstvrijheid. Dat betekent weliswaar een niet helemaal duidelijke scheiding van Kerk en Staat, maar doet recht aan de complexiteit van het hele religievraagstuk en gedoogt niet alleen het kruisbeeld, maar ook de hoofddoek en de boerka. Het principe van “neutraliteit door middel van pluraliteit” geeft blijk van vertrouwen in zijn burgers en hun creatieve veerkracht. Meer moeten we niet verlangen voor Europa.