De nieuwe diplomatische dienst van de Europese Unie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)zal na de zomer aantreden . De oprichting van deze dienst is moeizaam geweest en de beslissing is genomen na lange onderhandelingen tussen de Europese Commissie, de Raad, het Parlement in Straatsburg en uiteraard Lady Ashton, de Britse barones die is benoemd tot Hoge Vertegenwoordiger voor gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid na de ratificatie van het Verdrag van Lissabon.

Zoals altijd was het belangrijkste twistpunt de machtsverdeling tussen de verschillende belanghebbenden, dat wil zeggen tussen de verschillende organen van de Europese Unie: hoe moeten de taken tussen de Commissie en deze nieuwe dienst worden verdeeld, met name wat betreft de activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp van de Commissie ? Wat voor controle gaat het Parlement uitoefenen op het optreden van de Hoge Vertegenwoordiger en de nieuwe diplomatieke vertegenwoordigers? En van wie wordt het geheel afhankelijk op regeringsniveau?

Een hobbelig proces vol compromissen

Achter het strijdtoneel waar eenieder zijn eigen rol en voorrechten verdedigt gaan ook principekwesties schuil: de Commissie is een supranationaal orgaan, net als het Parlement. Daarentegen bestaat de Raad, waar Lady Ashton zich op beroept, uit soevereine Staten. Indirect is het dus een nieuwe ronde in het lange steekspel tussen voorstanders van meer integratie en die van nationale soevereiniteit.

De genomen beslissing is de vrucht van een tamelijk hobbelig proces vol compromissen: in principe komt het politieke deel van het buitenlandoptreden van de EU voor rekening van Lady Ashton en haar diplomatie, terwijl de financiële instrumenten beheerd zullen worden door de Commissie – de EDEO zal alleen worden belast met hun strategische planning, maar dan wel met uitzondering van de instrumenten die bedoeld zijn voor ontwikkelingshulp. Anderzijds zal de Hoge Vertegenwoordiger naar behoren het Parlement informeren over belangrijke strategische beslissingen.

Niemand had verwacht dat de oprichting van een echt Europees diplomatiek korps en de omschrijving van zijn rollen zonder slag of stoot zou plaatsvinden, en het zou per slot van rekening toch kunnen dat het compromis gaat functioneren. De dienst zal weliswaar, nu de operatie tot een eind is gebracht, niet van bescheiden omvang zijn. Bij de dienst zullen tussen de 6.000 en 8.000 mensen gaan werken, waarvan er iets meer dan de helft vanuit Europese instellingen zal komen. De rest van de functies zal worden ingevuld door de 27 lidstaten. Een groot deel van hen zal in Brussel werken en de rest in de 136 ambassades in het buitenland. Het budget zal in totaal bijna 3 miljard euro bedragen.

Een kostbare structuur ten tijde van bezuinigingen

Als Europa een gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid nodig heeft, is de instelling van een diplomatiek korps dat daarvoor zorg draagt daar een logisch uitvloeisel van. In de maanden die volgden op haar benoeming als Hoge Vertegenwoordiger heeft Lady Ashton zich bijna uitsluitend hieraan gewijd.

Desondanks kunnen we ons afvragen of het echt nodig is om op dit moment zo gehaast over te gaan tot de uitwerking van een zo ingewikkelde en kostbare structuur, nu er op de nationale begrotingen zo drastisch wordt bezuinigd. Net op hetzelfde moment ziet de publieke opinie hoeveel moeite Europa in deze crisistijd moet doen om de uiteenlopende nationale belangen met elkaar te verzoenen, alleen al om het bestaande te verdedigen, namelijk de euro en het stabiliteitspact, waarbij weinig plaats wordt gelaten voor hoop op vooruitgang in de zin van een gezamenlijk buitenlands beleid. Net op hetzelfde moment kan iedereen zien dat de verschillen bij de belangrijke dossiers die de EU moet behandelen, zoals het beleid ten opzichte van Rusland, Turkije en zelfs de Verenigde Staten, talrijker zijn dan de punten van overeenstemming. Kortom, nu we in een periode zijn beland waar, om de integratie te kunnen voortzetten, het meer dan ooit nodig is om de concrete werkelijkheid voor ogen te houden, kunnen we ons afvragen of het in werking stellen van zo’n voorziening echt onmisbaar is, nog voor goed en wel duidelijk is wat haar rol en haar functie zullen zijn.

De gemeenschappelijke machinerie heeft in het verleden al uitspattingen van bureaucratie gekend, waarbij het verlangen naar aanzien vermengd werd met nationale ambities. Er worden al weddenschappen afgesloten over wie de secretaris-generaal gaat worden van de EDEO: waarschijnlijk een Fransman, de ambassadeur Vimont, die zal worden bijgestaan – en dat is geen toeval- door een Duitse. Het zou niet goed zijn als het eerste kind van het Verdrag van Lissabon een zware bureaucratische machine is, het resultaat van onderhands gesloten akkoordjes en zonder eigen identiteit, in plaats van het embryo van een concreet, doeltreffend en snelwerkend gemeenschappelijk buitenlandbeleid.