Na een reeks botsingen tussen jongeren van buitenlandse afkomst en de politie kondigde Nicolas Sarkozy enkele dagen geleden aan dat hij nieuwe – beperkende – voorwaarden wil stellen aan het bezit van de Franse nationaliteit. Wanneer een tot Fransman genaturaliseerde buitenlander het leven bedreigt van een agent of een andere vertegenwoordiger van het wettelijke gezag, moet hem het Franse staatsburgerschap worden ontnomen, vindt president Sarkozy.

Deze verklaring heeft tot luide protesten geleid. De Franse wet maakt het (net als de Britse wet) in bepaalde gevallen reeds mogelijk om iemand de Franse nationaliteit te ontnemen, maar van deze mogelijkheid is in de praktijk nog nooit gebruikgemaakt. Frankrijk heeft zich de afgelopen tien jaar juist onderscheiden door zijn softe aanpak met betrekking tot de kwestie van het burgerschap, met meer dan een miljoen naturalisaties, hetgeen bijna evenveel is als in Duitsland en tien keer zoveel als in Italië.

Bloedrecht of grondrecht

Het afnemen van iemands nationaliteit ligt natuurlijk heel gevoelig: in etnisch-politiek opzicht nog meer dan op het juridische vlak. Deze kwestie dient evenwel te worden onderzocht in een ruimer kader, dat het mogelijk maakt de grote lijnen te bepalen van een serieus ´burgerschapsbeleid´ dat aansluit bij de nieuwe Europese situatie.

Van oudsher ging men bij de naturalisatie van buitenlanders uit van het ius sanguinis, het bloedrecht oftewel het staatsburgerschap van de ouders (zoals in Duitsland het geval is), of van het ius soli, het grondrecht oftewel het land waar het kind geboren (zoals in de Verenigde Staten het geval is).

Maar door de omvangrijke migratiestromen van de afgelopen twintig jaar zijn deze criteria niet langer steekhoudend. Wat heeft het namelijk voor zin om op grond van ´bloedbanden´ een bepaalde nationaliteit toe te kennen aan iemand die in het buitenland is geboren en daar woont, en die geen enkele band met het moederland heeft? En waarom zou je een buitenlander die niet is geboren in het land waarnaar hij is geëmigreerd maar waar hij wel goed is geïntegreerd, de nationaliteit van dat land weigeren (of hem een paar jaar laten wachten)?

Nieuwe criteria burgerschapsbeleid nodig

In deze tijd moet een serieus burgerschapsbeleid gebaseerd worden op nieuwe criteria – waarbij de woonplaats voorop moet staan -, evenals op een reeks ´filters´ waaruit de oprechte bedoelingen en de mate van integratie van de aanvrager moeten blijken (schoolbezoek, regulier werk, beheersing van de taal, enzovoort).

Naturalisatie moet niet langer worden beschouwd als een overgang die op een bepaald tijdstip plaatsvindt, als een onomkeerbare statusverandering op grond van zeer algemene en automatische criteria. Het moet eerder een proces zijn dat in fasen verloopt en dat gepaard gaat met stimuleringsmaatregelen en voorrangssituaties, vooral voor minderjarigen.

Een tweede gedragsregel hangt samen met de definitie van het burgerschap zelf. Ook op dit punt lijkt het verstandig om een stap verder te gaan dan simpelweg onderscheid te maken tussen burgers en buitenlanders, en om bepaalde overgangsvormen van ´aankomend burgerschap´ in te stellen. De rechten die een dergelijke status met zich mee zou brengen, zouden gekoppeld kunnen worden aan de rechten van het land van herkomst – vooral op het gebied van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg – hetgeen bevorderlijk zou zijn voor bepaalde vormen van tijdelijke immigratie. Als voorbeeld noemen we het geval van een Indiase arts die zes maanden per jaar in een Europees ziekenhuis zou willen werken.

Denizenship

De landen van het Gemenebest hebben voor deze vormen van aankomend burgerschap de term denizenship bedacht. De instelling van een Europees burgerschap kan al als een vorm van denizenship worden beschouwd. Het gaat hier namelijk om een status die onderdanen van iedere lidstaat bepaalde rechten verleent die op het gehele grondgebied van de Europese Unie kunnen worden uitgeoefend. Voorlopig is het Europees burgerschap nog een ´tweederangs burgerschap´. Dit neemt echter niet weg dat dit burgerschap – vooral dankzij het Verdrag van Lissabon en voor onderdanen van niet-Europese landen die aan bepaalde criteria voldoen – gebruikt kan worden als een status die behulpzaam is of een voorbereiding vormt om de nationaliteit van het gastland te verkrijgen.

Tegen een dergelijke achtergrond zou de door Nicolas Sarkozy aangevoerde mogelijkheid om immigranten die strafbare feiten plegen het staatsburgerschap te ontnemen, in symbolisch opzicht minder dramatisch en in praktisch opzicht doeltreffender zijn. ´Goed gedrag´ zou een van de belangrijkste selectiefilters kunnen worden, een filter dat na de volledige naturalisatie van een buitenlander eventueel nog een tijdje van kracht kan blijven.

Immigratie gevoelig thema

Immigratie is op dit moment in politiek opzicht een van de meest gevoelige thema´s. Uit opiniepeilingen blijkt dat de meerderheid van de kiezers in veel landen verklaart zich zorgen te maken en zich niet veilig te voelen. Bij de jongste Europese verkiezingen hebben de partijen die vreemdelingenhaat prediken vrijwel overal beter gescoord, terwijl het risico op een heuse spiraal van ideologische polarisatie toeneemt, niet alleen van de kant van de burgers, maar ook van de kant van de ´buitenlanders´ (waarvan in Frankrijk al sprake is). Wij weten dat immigranten onmisbaar zijn geworden voor de economie en voor de sociale bescherming in de Europese landen. Wij weten ook dat veel buitenlanders ´regulier´ (en met een toenemend aantal kinderen) in onze landen wonen en dat zij perfect geïntegreerd zijn in onze samenleving.

Integratie is niet alleen een mogelijkheid, maar biedt ook voordelen voor iedereen. Een nieuw burgerschapsbeleid kan veel doen om dit proces te bevorderen en om de risico's van gevaarlijke radicaliseringen in te dammen.