Een van de merkwaardige zaken aan de EU is dat er een voorspelbare omgekeerde verhouding bestaat tussen de hoeveel geld waar het om draait, en de tijd die er aan onderhandelingen wordt besteed. Niets illustreert dit beter dan het verbijsterende spektakel dat zich rondom de onderhandelingen over de EU-begroting afspeelt.

Laat u niet voor de gek houden door het bedrag van 1 biljoen euro dat u prominent in het nieuws wordt voorgeschoteld. Dit bedrag wordt gespreid over zeven jaar; het bruto binnenlands product van de EU gedurende deze periode wordt geraamd op ongeveer 100 biljoen euro. De onenigheid gaat niet over de hele begroting, maar over ongeveer drie procent daarvan. In de praktijk komt dat neer op zo'n 0,03 procent van het bruto binnenlands product van de EU. Het zou van rekenkundige overmoed getuigen daar enig macro-economisch belang aan te hechten.

Daarentegen zal het ontwarren van de eurocrisis uiteindelijk veel geld kosten en economisch gezien van groot belang zijn. Daar moeten de leiders van de EU zich op richten, niet op de EU-begroting.

Interne markt maar één functie

De vraag is vooral wat de begrotingsonderhandelingen ons leren over de toekomst van de EU zelf. En dat geldt ook voor het feit dat de Britse premier David Cameron hamert op een bevriezing van de begroting van de EU. Daar ligt het unieke belang van de onderhandelingen. Als de begroting op hetzelfde niveau blijft, is de EU veroordeeld tot de status-quo. Ze kan Agenda 2020 dan wel vergeten, evenals pretentieuze beleidsplannen om de groei te bevorderen.

Het voornaamste project van de EU blijft een kreupele interne markt. De interne markt heeft een bovenmatig voor het voetlicht gebracht, maar voornamelijk teleurstellend programma, zonder meetbare invloed op het bbp. De meeste diensten, die het leeuwendeel van de economie vormen, maken er geen deel van uit. Tijdens de crisis hebben regeringen de financiële interne markt een tandje teruggezet. Energie beschouwen de lidstaten eveneens grotendeels als een nationale aangelegenheid. Defensieaankopen vielen sowieso al buiten de boot. Ik ben altijd van mening geweest dat de interne markt maar één nuttige functie heeft: je kunt hem na een etentje in een toespraak flink bewieroken.

Wat deze beladen begrotingsonderhandelingen ons vertellen, is dat het proces van Europese integratie – op EU-niveau – grotendeels is voltooid. In die zin maakt het weinig uit of bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk binnen- of buitenboord blijft. Wanneer het Verenigd Koninkrijk officieel uit de EU zou vertrekken, zou het geen enkele van zijn bestaande rechten hoeven opgeven, inclusief het recht om in de EU te wonen en te werken en, uiteraard, de toegang tot de interne markt – voor wat het waard is. De voorwaarden voor een exit zijn vrij onderhandelbaar. Zelfs nu al voelt het niet zoveel anders, behalve dan de temperatuur, of je in Groot-Brittannië binnen de EU of in Noorwegen buiten de EU bent.

Kort lijstje

Vandaag de dag heeft de EU nog twee belangrijke functies. Sommige lezers zullen het schokkend vinden dat mijn lijstje zo kort is. Ten eerste: de EU verschaft de instellingen en het wettelijke kader voor de eurozone die ons helpen door te modderen tot we de crisis hebben opgelost. Ik zeg niet dat de eurozone dat doel beslist zal bereiken. De kans bestaat, hoe opmerkelijk ook, dat dit niet gebeurt.

Maar als het wel lukt, zal de EU de interne markt op den duur vast in haar greep krijgen en er mogelijk iets nuttigs van maken. De bankenunie kan een eerste stap zijn naar een financiële interne markt binnen de eurozone. Uiteindelijk verwacht ik dat er ook een interne markt voor arbeid en voor diensten komt, allemaal binnen de eurozone. Als er een fiscale unie is, zal de begroting ervan niet alleen omvangrijker worden dan die van de EU, maar ook anders van samenstelling, om zo de beoogde macro-economische stabilisering te bewerkstelligen.

De tweede belangrijke functie van de EU is dat zij kan dienen als wachtkamer voor lidstaten die nog niet tot de eurozone behoren, maar zich daar op enig moment in de toekomst wel bij willen aansluiten. De echte scheidslijn in de EU is niet tussen de zeventien eurolanden en de tien overige landen, maar tussen de landen die 'binnen' zijn en 'in het voorportaal' staan en de landen die 'buiten' zijn. Groot-Brittannië hoort duidelijk bij de laatste groep, net als Tsjechië. Denemarken en Zweden idem dito, al staan die wat dichter bij de eurozone.

Scheiding met een chaotisch karakter

Op termijn maakt het niet uit of de landen buiten de eurozone de EU formeel verlaten, zich keurig in de marge ophouden of dat hun de toegang tot de eurozone wordt ontzegd. Wellicht duurt het nog een aantal jaren, maar op enig moment zal er een scheiding plaatsvinden, met een chaotisch karakter. Die scheiding kan talrijke vormen aannemen. Officieel uit elkaar gaan is slechts een van de mogelijkheden. Het is echter niet vol te houden dat een groep permanente buitenstaanders altijd maar kan blijven meebeslissen, hoewel de EU over engelengeduld beschikt wat de goedkeuring van overgangsregelingen betreft. De realiteit is dat er buiten de eurozone geen duurzame biosfeer binnen de EU bestaat.

De marginalisering van de EU ten koste van de eurozone heeft ook implicaties voor andere beleidsterreinen, zoals het buitenlands en veiligheidsbeleid, en voor de uitbreiding van de EU.

Door aan te dringen op een bevriezing van de EU-begroting bewijst Cameron de eurozone welbeschouwd een dienst. Hij ondermijnt de EU en moedigt daarmee de eurozone nog eens aan om zijn collectieve belang te behartigen. Mijn steun heeft hij.