Een gure wind waait door Calton. Plastic tassen en ander zwerfvuil jagen door de straten. Vervallen gebouwen met dichtgetimmerde ramen bepalen het beeld in de wijk. Een tienermoeder schuifelt met de kinderwagen door Stevenson Street. Ze loopt een krantenkiosk in en loopt even later naar buiten met een pak sigaretten in haar hand. Ze is een van de weinigen op straat. Alleen de Calton Bar vertoont enige tekenen van leven. Rond het middaguur drinkt een handjevol klanten al hun eerste halve liter bier.

Eens was Calton een bruisende wijk en het hart van de industrie in Oost-Glasgow. Grote staalfabrieken met rokende schoorstenen torenden hoog boven de arbeiderswoningen uit. In het People's Palace aan Green Park krijg je een idee hoe het leven er vijftig jaar geleden uitzag. Calton was een typische arbeiderswijk. Zwart-witfoto's in het volkspaleis laten krappe woonflats zien waar groepen families één toilet moesten delen. Nee, breed hebben ze het nooit gehad, de inwoners van Calton. Maar werk was er in die jaren in overvloed.

‘Fuel poverty’ is een begrip in Groot-Brittannië

George Robertson, een 67-jarige bewoner van Calton, heeft nog levendige herinneringen aan die tijd. “Ik was twintig jaar en mijn eerste baantje was in de staalfabriek. Het was toen niet moeilijk om aan werk te komen. Ik was straatveger, bouwvakker en later weer staalwerker. Maar nu is niets meer over”, zegt hij met een wrange glimlach. Hij wijst op de laatste restanten van drankproducent Johnnie Walker (anno 1887).

De Parkhead Forge, even verderop, was de laatste staalfabriek die in Oost-Glasgow zijn deuren sloot. Eens was dit de grootste werkgever van de stad, die staal naar de hele wereld exporteerde. Op zijn plaats staat nu een winkelcentrum dat veel goederen uit Azië importeert. Het complex wordt bevolkt door bejaarden die alle bankjes bezetten en een goedkoop bakje theedrinken. Ze zijn niet gekomen om boodschappen te doen, maar om de warmte van het winkelcentrum op te zoeken, zodat ze thuis op hun energierekening kunnen besparen. 'Fuel poverty' is zelfs een begrip in Groot-Brittannië: als je meer dan 10 procent van je inkomen besteedt aan je energierekening, is dat een teken van armoede. Met de slecht geïsoleerde huizen, stijgende energieprijzen en lage inkomens is dit een groep die oververtegenwoordigd is in dit deel van Schotland.

“Misschien wel de ongezondste buurt van de westerse wereld”

Na het verval van de industrie veranderde Calton in het afvoerputje van Groot-Brittannië. Een verpauperde wijk waar bijna een op de vijf bewoners zonder baan zit en de helft afhankelijk is van een uitkering. Met de massawerkeloosheid kwam de armoede. De depressie. De alcohol. De drugs. De zelfmoorden. Het geweld. De slechte eetgewoontes. “Verslavingen, overgewicht, hart- en vaatziekten, bronchitis, in alles scoort Calton hoog”, somt Robert Jamieson op. Hij is al meer dan 25 jaar huisarts in de wijk en levert voortdurend slag tegen de immense gezondheidsproblemen. “Dit is misschien wel de ongezondste buurt in de hele westerse wereld”.

De combinatie van diepe armoede en gezondheidsproblemen blijkt een dodelijke mix. De gemiddelde levensverwachting van een man in Calton is 53 jaar, zo vertellen de kille cijfers van de nationale gezondheidsdienst. Dramatisch laag, zeker als je het vergelijkt met de rest van de wereld. Als Calton een land was, dan zou het de 168ste plaats op de wereldranglijst innemen, bungelend tussen Kenia en het door oorlog geteisterde Congo.

Jamieson: “Als er ergens absolute armoede is, dan is het hier wel. Dit is de ongezondste buurt in het land en heeft de laagste inkomens per huishouden in Groot-Brittannië. Kinderen die hier opgroeien, hebben weinig hoop. Als ze gaan solliciteren, wat zijn dan hun kansen? Ze hebben meestal niet de juiste opleiding, ze hebben geen nette kleren voor een sollicitatiegesprek. Werknemers kijken naar de postcode op het sollicitatieformulier en zien waar je vandaan komt. Je weet meteen dat je die baan op je buik kunt schrijven”.

Gezinnen kloppen aan bij opvangtehuizen

Als Calton het afvoerputje is, dan is de Marie Trust het dekseltje. Bij dit opvangtehuis voor daklozen spoelt 's avonds het menselijke wrakhout aan dat overdag tussen de straten en portieken van Oost-Glasgow klotst. De Schotse stad telt meer dan 10.000 daklozen en een groot deel zit in en rond Calton. De laatste tijd is het drukker dan ooit bij de Marie Trust. Afgelopen jaar hielp het opvangtehuis 2000 daklozen, 25 procent meer dan vorig jaar.

Problemen kent de wijk al decennia, maar de recessie en harde overheidsmaatregelen hebben alles op scherp gezet. De regering heeft flink bezuinigd op huursubsidies, en jonge werklozen kunnen niet langer een uitkering claimen. “Ik werk hier al vijftien jaar”, zegt Martin Johnstone van de Marie Trust, “maar de afgelopen twee jaar waren het moeilijkst. We hadden laatst zelfs gezinnen over de vloer, dat is erg ongebruikelijk”.

Halfslachtige pogingen zijn ondernomen om de wijk nieuw leven in te blazen, maar de overheid liet Calton liever links liggen. Van Margaret Thatcher tot en met Tony Blair; dertig jaar lang kende Groot-Brittannië geen industrieel beleid, liet de fabrieken naar Azië vertrekken en gaf het ruim baan aan de financiële sector met al haar excessen en miljoenenbonussen.

Valt Calton nog te redden? Huisarts Jamieson is somber. “Willen we echt in een land met zulke grote verschillen wonen? We denken vaak dat we in Groot-Brittannië geen sociale onrust of rellen kennen, maar kijk eens wat er vorig jaar gebeurde in de straten van Londen. Of wat zich nu in Griekenland en Spanje afspeelt. We hebben in de Europese geschiedenis vaak genoeg gezien wat er gebeurt als de kloof tussen de haves en have-nots te groot wordt”.