Bersani (61) is een ex-communist, afkomstig uit de arbeidersklasse, die bij de verkiezingen van zondag op zijn loyale vakbondsbasis vertrouwde om zijn relatief jonge uitdager Matteo Renzi (37) te kunnen verslaan, de burgemeester van Florence.

Nu de nationale steun voor de Democratische Partij volgens de opiniepeilingen op 30 procent wordt geschat, een veel hogere score dan die van welke rivaal dan ook, lijkt Bersani een goede kans te maken om na de parlementsverkiezingen van maart volgend jaar premier te worden van een linkse coalitieregering.

Zowel in Italië als in het hele Middellandse Zeegebied zijn de vooruitzichten voor de traditionele partijen echter gemengder dan het succes van Bersani doet vermoeden. De meest tot de verbeelding sprekende ontwikkeling in de Italiaanse politiek blijft de afbrokkeling van de centrum-rechtse krachten die het nationale toneel sinds 1994 hebben gedomineerd. De Mensen van de Vrijheid, de partij van de vroegere minister-president Silvio Berlusconi, ooit bekend als Forza Italia, is aan een grootscheepse aftocht bezig. Een groot deel van de steun voor deze partij lekt nu weg naar de eigenaardige Vijfsterrenbeweging van de komiek Beppe Grillo, “een plaag voor beide huizen.”

Maar de aantrekkingskracht van politieke beeldenstormers heeft zijn grenzen, zelfs in een land waarvan de partij-elites zo in diskrediet zijn gebracht als die van Italië, door hun land zo dicht bij de rand van de financiële afgrond te brengen. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog bestormde een anti-establishmentpartij genaamd “Uomo Qualunque” (De gewone man) het toneel. De partij kreeg bij de verkiezingen van 1946 en 1948 ruim een miljoen stemmen en behaalde een paar tientallen zetels in het parlement.

Gecentraliseerde partijen houden verandering tegen

Maar het 'qualunquismo' verdween bijna net zo snel als het was opgekomen, opgeslokt door de christendemocraten ter rechter- en de communisten ter linkerzijde. Het is de vraag of de beweging van Grillo de onvermijdelijke wederopstanding van Italiaans centrum-rechts zal overleven als Berlusconi eindelijk definitief het veld heeft geruimd.

Griekenland biedt het duidelijkste voorbeeld van de ineenstorting van de gevestigde orde. Tot de schuldencrisis van 2009 werd de politiek sinds het einde van het militaire regime in 1974 door twee partijen gedomineerd: de conservatieve Nieuwe Democratie en het socialistische Pasok. Maar bij de algemene verkiezingen van zes maanden geleden kregen beide partijen gezamenlijk nog maar 42 procent van de uitgebrachte stemmen.

Vooral Pasok leek met slechts 12,3 procent te zijn leeggelopen. De kiezers stroomden in plaats daarvan naar Syriza, een explicieter links alternatief. Maar afgezien van het voor de hand liggende feit dat het electoraat uiting gaf aan zijn woede over de Griekse val in de afgrond, was een van de redenen dat de partijen van de hoofdstroom steun verloren dat zij veel minder patronage te bieden hadden in ruil voor stemmen.

De partijsystemen die in Spanje en Portugal werden opgebouwd na de overgang naar de democratie in de jaren zeventig doen het momenteel beter dan die in Griekenland. Op nationaal niveau – maar in Spanje niet op regionaal niveau – gaat de strijd grotendeels tussen een grote partij ter rechter- en een grote partij ter linkerzijde. Veranderingen worden tegengehouden door de zeer gecentraliseerde aard van deze partijen en door de bevoegdheid van het leiderschap van de partijen om in verkiezingstijd naar eigen believen kandidaten aan te stellen, zonder inbreng van gewone partijleden of kiezers.

Jongeren stemmen minder dan hun ouders

Toch zijn er wel kleine verschillen tussen Spanje en Portugal. Terwijl de populariteit van de centrum-rechtse Spaanse premier Mariano Rajoy zich in een vrije val bevindt, leggen de Spaanse burgers niet veel méér sympathie aan de dag voor Alfredo Pérez Rubalcaba, de leider van de socialistische oppositie. Zelfs onder de kiezers van zijn eigen partij is er weinig vertrouwen dat Rubalcaba Spanje effectiever zou regeren dan Rajoy.

Als Spanje een aantal voorwaarden laat zien die essentieel zijn voor een hervorming van het partijensysteem, lijkt dat minder het geval in Portugal. Daar behouden de regerende centrum-rechtse Sociaaldemocraten en de Socialisten in de oppositie hun vermogen om de opstelling van het volk te 'sturen.' Dat volk lijkt in politiek opzicht vaak passiever dan dat van Spanje. In 1975, toen Portugal zijn eerste vrije verkiezingen in vijf decennia hield, was de opkomst 92 procent. Bij de nationale verkiezingen van vorig jaar was het nog maar 58 procent.

Het is een ontnuchterende gedachte dat – zelfs in tijden van crisis – jonge mensen die in een democratische samenleving zijn geboren minder vaak gaan stemmen dan hun ouders, die aan den lijve hebben ondervonden wat het was om onder een dictatuur te leven.