Woody Allen is er al neergestreken, Martin Scorsese en Clint Eastwood staan op het programma en zelfs Madonna is van plan scènes van haar derde film in Parijs op te nemen. Deze zomer is het Hollywood wat de klok slaat in de Franse hoofdstad. De reden: sinds het begin van dit jaar kunnen buitenlandse producenten profiteren van een belastingaftrek van 20 %. Amerikaanse regisseurs kunnen zo tot maar liefst vier miljoen euro in eigen zak houden.“Frankrijk heeft de succesformule van Duitsland gekopieerd”, constateert Udo Bomnüter, Berlijns producent en schrijver.

Sinds 2007 neemt het Deutsche Filmförderfonds (DFFF) eenzelfde gedeelte van de productiekosten onder bepaalde voorwaarden voor zijn rekening. Het DFFF vervangt het Medienfonds, dat in Duitsland zeer gewaardeerd wordt als subsidiemodel, maar in Los Angeles de bijnaam “Stupid German Money” heeft gekregen, want sinds het begin heeft het alleen maar geld gestoken in flops. Met het DFFF treedt Duitsland wederom in de voetsporen van Groot-Brittannië en Ierland, die als eersten cadeautjes uitdeelden aan buitenlandse producties. “In Europa is een felle concurrentiestrijd op het gebied van belastingvoordelen gaande” aldus Bomnüter, “en Hollywood is daar als de kippen bij”.

"Het is ook een prestigekwestie"

Zo is er een soort filmsettoerisme ontstaan van beroemde Amerikaanse regisseurs die van het ene naar het andere belastingparadijs trekken voor hun filmopnames. Lange tijd stimuleerde Frankrijk, meer dan enig ander land in Europa, alleen zijn eigen nationale filmindustrie. In Parijs maken films onderdeel uit van het waardevolle culturele erfgoed dat bescherming behoeft. “Dat buitenlandse producenten nu kunnen profiteren van belastingvoordeeltjes, is ook een prestigekwestie,” aldus Patricia Scheller, die samen met Bomnüter een boek heeft geschreven over de Europese strategieën op het gebied van subsidies in de filmbusiness. Frankrijk kon het namelijk niet langer aanzien dat grote regisseurs scènes die zich zogenaamd in Parijs afspeelden, in het buitenland opnamen. Zo draaide Quentin Tarantino zijn Inglourious Basterds gedeeltelijk in de filmstudio Babelsberg in het Duitse Potsdam, heeft Olivier Dahan zijn eerbetoon aan Edith Piaf, La vie en rose, in Praag opgenomen en heeft Steven Spielberg D-Day in de film Saving Private Ryan zich niet in Normandië, maar in Ierland laten afspelen.

Zo gingen tussen de tien en twintig grote Amerikaanse producties aan de neus van Frankrijk voorbij. Maar dat is nu verleden tijd. “Frankrijk zal weer in Frankrijk gefilmd worden,” aldus Franck Priot, adjunct-directeur van Film France, de Franse commissie die zich bezighoudt met het aantrekken van buitenlandse filmmakers. Hij lijkt nu al helemaal in zijn nopjes te zijn over het resultaat van dit belastingoffensief. Alleen al dit jaar diende Parijs als decor voor zo'n twintig buitenlandse producties. Vorig jaar draaide nog maar één bekende buitenlandse regisseur, de Brit Christopher Nolan, scènes van zijn film Inception in de Franse hoofdstad.

Ameikanen brengen veel geld in het laatje

De landen van Europa steken elkaar de loef af om buitenlandse films binnen te halen, want regisseurs creëren werkgelegenheid. Voor het opnemen van films zijn immers cameramannen, licht- en geluidstechnici, kostuumontwerpers en visagisten nodig. Dankzij Woody Allen kon de first lady van Frankrijk, Carla Bruni, haar filmdebuut maken – een leuke bijkomstigheid van het belastingvoordeel. Bovendien brengen de Amerikanen naast de productiekosten veel geld in het laatje: wekenlang bivakkeren ze in luxehotels en huren kostbare filmlocaties af. Zo heeft Sofia Coppola 300.000 euro neergeteld om twee maanden te kunnen draaien in het Château de Versailles. Toch heeft Parijs één nadeel ten opzichte van Londen of Berlijn: het ontbeert grote filmstudio’s zoals Pinewood en Babelsberg. Maar een oplossing ligt al in het verschiet. In 2012 opent het Cité du Cinéma van de Franse regisseur Luc Besson zijn deuren ten noorden van Parijs.