Een van de steeds terugkerende overpeinzingen in Algerije is de herinnering aan het koloniale verleden van een groot aantal Europese landen, te beginnen bij Frankrijk en Groot-Brittannië, en de vraag of het besluit van de wijze mannen uit Oslo niet zou moeten worden geïnterpreteerd als een officiële bekrachtiging dat het oude continent heeft weten te ontsnappen aan zijn postkoloniale vagevuur.

Terwijl Frankrijk maar blijft weigeren om zijn Algerijnse verleden onder ogen te zien en de Britse justitie ermee instemt om de netelige kwestie van de onderdrukking van de Mau Mau in Kenia op te pakken, kan deze Nobelprijs zich ontpoppen als een door het “verstandige en verdienstelijke” Europa goedgekeurde decharge, dat wil zeggen door Noord-Europa, dat zichzelf haast niets hoeft te verwijten op het terrein van koloniale avonturen. Je kunt je ook afvragen vanaf welk moment men in aanmerking komt voor een dergelijke onderscheiding en voor hoe lang.

VS verdienen een deel van de prijs

Natuurlijk wordt Europa al lang niet meer verscheurd door de gewapende strijd. Maar zijn we het conflict op de Balkan dan al weer vergeten, waarin de Europese Unie (EU) niet bij machte bleek om vrede op te leggen? De Verenigde Staten, die hun volle gewicht in de strijd hebben gegooid om de rust in deze regio te doen wederkeren en om het Servische regime van Milosevic in het gareel te laten lopen, verdienen in een aantal opzichten in ieder geval een deel van deze prijs.

Daarmee wordt het beeld enigszins gerelativeerd van de vreedzame rust waarmee men Europa tegenwoordig wil omringen, in tegenstelling tot de rest van de wereld die steeds verder is geglobaliseerd en steeds minder zeker wordt.

Er wordt vaak enthousiast opgesomd welke krachttoeren Europeanen allemaal al hebben verricht bij de wederopbouw en de regionale integratie, ondanks eeuwen van oorlog voeren. Uitgaande van de situatie in Europa in 1945 moeten we inderdaad toegeven dat de Europese Unie een fraai succes is.

Huidige leiders kunnen niet tippen aan voorgangers

Maar in dat geval zou de Nobelprijs moeten gaan naar de “grondleggers van Europa”: de Duitser Konrad Adenauer, de Luxemburger Joseph Bech, de Nederlander Johan Willem Beyen, de Italiaan Alcide De Gasperi, de Fransmannen Jean Monnet en Robert Schuman en de Belg Paul-Henri Spaak.

Het zou ook aanvaardbaar zijn als de onderscheiding naar de mensen ging die het werk van de oprichters hebben voortgezet, zoals de Duitser Walter Hallstein, eerste voorzitter van de Europese Commissie, de Italiaan Altiero Spinelli, die aan de basis stond van een “Verdrag over de Europese Unie” in 1984, of de Fransman Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie van 1985 tot 1995.

Het zou eveneens aannemelijk zijn als Helmut Kohl, Helmut Schmidt en Valéry Giscard d’Estaing (collectief) zouden zijn onderscheiden als drijvende krachten achter de Frans-Duitse as, omdat, zoals we weten, dat wat Duitsland en Frankrijk nader tot elkaar brengt ook bijdraagt aan een sterker Europa.

Daar staat tegenover dat de huidige Europese leiders niet kunnen tippen aan het niveau van het oorspronkelijke initiatief. Ze zijn niet in staat verder te kijken dan hun eigen nationale grenzen, ze transformeren Europa stap voor stap in een zone van muggenzifterij waar niemand warm voor loopt.

Integendeel, de Europese kwestie begint de grenzen te bereiken van de mate waarin lidstaten opstaan voor en willen overgaan tot grensoverschrijdende eenheden.

Een beloning als aanmoediging

Vandaar dat we een beetje het gevoel krijgen dat deze onderscheiding een soort beloning is voor een laatste kans, bedoeld als aanmoediging voor Europeanen om wakker te worden, om te zorgen dat het uitwisselingsprogramma Erasmus (een van de weinige concrete uitingen van de vreedzame ontwikkeling van Europa binnen zijn eigen grenzen) blijft bestaan en uiteindelijk toe te werken naar een echte unie.

Maar er is nog een belangrijker vraag. Kan er wel een Nobelprijs worden uitgereikt aan een instantie, de Europese Unie, waarvan verschillende lidstaten (Frankrijk, Duitsland, Italië en Groot-Brittannië) tot de grootste wapenverkopers ter wereld behoren? Vrede binnen de eigen grenzen, maar wapens voor het buitenland of soms zelfs ook voor de interne markt, getuige de Duitse wapenverkoop aan Griekenland dat nog altijd, ongeacht de omstandigheden, wordt achtervolgd door de Turkse dreiging...

Laten we het nog even over die interne vrede hebben. Ja, de wapens zijn inderdaad tot zwijgen gebracht, maar een ander conflict splijt de Europese Unie en dreigt haar om zeep te helpen. Het gaat om de economische oorlog die tussen de lidstaten woedt. Laten we Duitsland als voorbeeld nemen. Het handelsoverschot van dit land blijft maar stijgen, maar dat gaat wel ten koste van zijn Europese partners en vaak ook op de eigen Europese markten.

En wat moeten we vinden van lidstaten die hun belastingtarieven verlagen om te zorgen dat bedrijven bij voorkeur naar hun land verhuizen?

De slachtoffers van de afschuwelijke napoleontische oorlogen en ook die van de twee wereldoorlogen zijn geschiedenis. Maar tegenwoordig zijn de werkelozen in hun voetsporen getreden en in ellendige omstandigheden beland. Verdien je een Nobelprijs voor de vrede als je toelaat dat een dergelijk maatschappelijk geweld zich nestelt in jouw contreien?

Europe verdedigt het “recht op burgerrechten”

Om deze vraag kunnen we niet heen en ooit zal de balans moeten worden opgemaakt van de liberale optie die Brussel beetje bij beetje oplegt. Aan het eind van dit lange betoog tegen de uitreiking van deze prijs moet er toch een belangrijk positief punt worden genoemd. Europa heeft de doodstraf afgeschaft en probeert begrip te kweken bij zijn partners voor het belang van die stap. Dit is de grote verdienste van Europa en geeft de mensen die zijn Nobelprijs als aanmoediging van voorbeeldigheid beschouwen daarvoor enkele argumenten.

Europa is, ondanks al zijn zwakheden, tegenwoordig de regio in de wereld die “het recht op burgerrechten” zeer krachtig verdedigt, dat wil zeggen, de fundamentele eis die democratie mogelijk maakt.

En aangezien dit “recht op burgerrechten” nu door Europeanen zelf op het spel wordt gezet (recht op werk en gezondheid voor iedereen, enz.) zou het goed zijn geweest om deze onderscheiding te verlenen met de opmerking "moet nog worden bevestigd"als voornaamste voorbehoud.