Toen Juan Luis Cebrian, de grote baas van El País, in oktober de grote lijnen van het sociaal plan bekend maakte aan zijn werknemers, verdedigde hij zijn beleid met een doorslaggevend argument: de krant, de grootse van Spanje kon niet “doorgaan zo riant te leven”. Volgens Cebrian waren er te veel journalisten die te veel betaald kregen. De redenering doet denken aan die van de rechtse premier Mariano Rajoy. Bij elk nieuw bezuinigingsplan legt hij, met een berouwvolle blik, aan de Spanjaarden uit dat het land niet langer door kan gaan “boven zijn stand te leven*”.

Is El País typerend voor alles wat er mis gaat in Spanje? De crisis die deze parel van de Spaanstalige pers (eigendom van de mediagroep Prisa) doormaakt, toont grote gelijkenissen met de instorting van het land: een torenhogeschuld door buitensporige investeringen, spelers op de financiële markt die aan de knoppen zitten en die zich niet bepaald druk maken over de belangen van de pers, bazen die miljoenen euro’s verdienen en overhaaste ontslagen die wel eens contraproductief kunnen blijken.. “Het is een metafoor voor de huidige situatie waarin Spanje momenteel verkeert”, zegt Miguel Mora, correspondent van El País in Parijs.

Hapklare nieuwsberichten van persbureaus

Van de in totaal 466 werknemers worden er 129 ontslagen, dat is bijna een derde van het totale personeelsbestand. Onder hen zijn een aantal prominenten van de krant. Vier lokale edities van de krant (waaronder die in Valencia en Andalusië) zullen worden opgeheven en de journalisten die op hun post mogen blijven zitten, hebben vijftien procent van hun salaris moeten inleveren. De aankondiging van een ‘Ere’ (Spaans acroniem voor een sociaal plan) heeft intern tot grote opschudding geleid. In november gingen bijna alle werknemers in staking en de krant, het enig overgebleven centrumlinkse nationale dagblad, volstond met het afdrukken van hapklare nieuwsberichten van persbureaus. Tot op heden is er nog geen oplossing gevonden voor het conflict tussen Cebrian en de afgevaardigden van de journalisten.

In Spanje wordt de journalistiek niet bepaald gespaard door de crisis. Volgens cijfers van de vakbeweging FAPE zijn sinds november 2008 bijna 8.000 journalisten op straat komen te staan. In dezelfde periode hebben 67 redacties, inclusief die van tijdschriften, hun deuren moeten sluiten. Het medialandschap is er gehavend uitgekomen: zo is de papieren versie van Publico, gelanceerd in 2008 en een links alternatief voor El País, begin 2012 voor het laatst uitgekomen en is driekwart van de gratis kranten ermee opgehouden. El País zelf staat op instorten: sinds 2007 heeft de krant zijn advertentie-inkomsten met 60 procent zien dalen.

Een perfect voorbeeld van wanbeleid

Toch klopt er niets aan deze analyse. Wie wat beter kijkt, ziet dat El País eigenlijk een uitzondering vormde in de mediabranche. Sinds de oprichting in 1976 is de krant altijd winstgevend geweest. Zo werd er in 2011 nog een winst van 12 miljoen euro geboekt en werd er de afgelopen tien jaar, tot vorig jaar, in totaal 800 miljoen euro opgehaald. Zelfs in het eerste semester van 2012, dat toch als één van de meest moeilijke periodes uit de recente geschiedenis van Spanje kan worden bestempeld, bleef de krant uit de rode cijfers. Als je naar de financiële gezondheid van de concurrenten kijkt, mag dat toch een klein wonder worden genoemd. In augustus 2012 liet de directie weten dat El País voor het eerst in de geschiedenis verlies heeft geleden. Maar rechtvaardigt dit negatieve gegeven het ontslag van een derde van het personeelsbestand van de krant?

De val van El País is geen natuurlijke ramp, maar een perfect voorbeeld van wanbeleid dat een einde kan maken aan het meest solide journalistieke instituut dat ooit in Spanje heeft bestaan. Het internet en de zogenaamde instorting van de bestaande mediawereld zoals we die nu kennen, zijn van zeer ondergeschikt belang in dit drama”, schrijft Pere Rusiñol, een welbekende onderzoeksjournalist die tot 2008 voor El País werkte.

Kolossale schuld van 4,6 miljard euro

In 2007 begonnen de problemen voor Prisa. Terwijl de crisis in de startblokken stond, leed de persgroep aan grootheidswaanzin. Er werd een overnamebod uitgebracht op Sogecable (deels al in handen van Prisa) dat eigenaar van een aantal betaalde televisiekanalen was. De schulden van Prisa schoten daarmee op het slechtst mogelijke moment omhoog: net voor het uiteenspatten van de Spaanse vastgoedbubbel. Vanaf 2008, terwijl Spanje langzaam verstrikt raakte, had Prisa nog maar een doel, de rode draad in een niet goed doordacht beleid: zich ontdoen van de kolossale schuld van 4,6 miljard euro.

Een beslissend moment voor de huidige crisis, bekend geworden onder de codenaam ‘operatie Liberty’, vond plaats in november 2010. Dat najaar besloot Prisa om nieuwe aandelen uit te geven om zo een deel van de schuld weg te kunnen werken. Daarmee zette het bedrijf echter de deur wagenwijd open om opgeslokt te worden door de Amerikaanse Liberty Acquisition Holding dat in handen is van een handjevol investeerders waaronder het duo Martin Franklink en, vooral Nicolas Berggruen, dat onder Wall Street-beleggers grote bekendheid geniet. In dat jaar stopte het fonds 650 miljoen euro in het bedrijf.

18% van het personeelsbestand moest verdwijnen

De familie die van oudsher verbonden is aan El País, de famile Polanco, had tot dat moment 70 procent van het kapitaal van Prisa in handen. Door de aandelenuitgave moesten de Polanco’s de helft van hun vermogen in het bedrijf inleveren, op voorwaarden die zeer gunstig voor Liberty uitpakten en die de waarde van Prisa naar een historisch laag niveau brachten. “Op die dag is Prisa voor altijd veranderd. Het was tot die dag altijd het bedrijf van de familie Polanco, daarna is het langzaam maar zeker opgegeten door de haaien”, schrijft de journalist Pere Rusiñol die onlangs een gedegen onderzoek naar de Pisagroep in het [satirische, red.] tijdschrift Mongolia publiceerde.

Wat is er drie jaar na ‘Operatie Liberty’ veranderd? De handelsbalans van Prisa is verslechterd en dat is gedeeltelijk aan de crisis te wijten. De waarde van het aandeel van de groep is met 89 procent gedaald en de familie Polanco legt steeds minder gewicht in de schaal. En wat betreft de schuld, die blijft gigantisch: rond de 3,5 miljard euro. In januari 2011 kondigde Prisa tevens aan dat 18 procent van het personeelsbestand voor de activiteiten in Spanje, Portugal en Latijns-Amerika moest verdwijnen.

Maar Nicola Berggruen en Martin Franklin hebben goede zaken gedaan. In hun contract staat dat ze de eerste drie jaar volgend op hun intrede in het eigen vermogen van de groep recht hebben op een rendement van 7,5 procent over hun participatie, ongeacht de resultaten van Prisa.

Extravagante beloning

De andere grote winnaar van deze herkapitalisatie is niemand minder dan Juan Luis Cebrian, de symbolische ‘afgevaardigde adviseur’ van de Prisagroep. De 68-jaar oude academicus heeft zichzelf tijdens de meest moeilijke periode van de crisis van een wel heel aantrekkelijke beloning verzekerd. In 2011 moest Prisa een verlies van 450 miljoen euro in de boeken schrijven, de president-directeur van het bedrijf wist op datzelfde moment echter een cheque van tussen de 11 en 13 miljoen euro binnen te slepen.

De extravagante beloning van Cebrian is binnen de meest gerespecteerde krant van Spanje het symbool geworden voor het ‘meten met twee maten’. De journalistenvakbonden hadden al snel de absurditeit van de situatie in de gaten: het bedrag dat de baas in 2011 in zijn zak kon steken, komt ongeveer overeen met de bezuinigingen op de totale loonsom die El País van plan is uit te voeren door het ontslag van 129 journalisten.

Het is een schokkende parallel, maar de soap rond El País houdt hier niet op. Vorig jaar zomer zette de directie, die nog steeds poogde van de torenhoge schuld af te komen, een nieuwe stap. Aan een aantal schuldeisers werd geen geld voorgesteld, want dat heeft het bedrijf niet meer, maar een omzetting van de schulden in aandelen. Heel concreet betekende dit dat de zwaargewichten onder de Spaanse banken, Santander en Caixabank (maar ook HSBC), steeds meer macht over Prisa kregen.

Daarmee veranderde in één keer de raad van bestuur van de grote Spaanse progressieve krant in een vergadering van (voormalige) adviseurs van respectabele banken. Sommige journalisten hekelen het feit dat er vaak artikelen zijn geplaatst waarin de meningen worden verkondigd van twee Spaanse bankiers die symbool staan voor de crisis en die zijn gepubliceerd nadat zij beiden aandeelhouder van Prisa waren geworden. Deze mannen zijn Emilio Botin (die aan het hoofd van Santander staat en één van de zwarte schapen is van de protestbeweging ‘Indignados’) en Isidro Fainé (de ultraconservatieve voorzitter van de raad van bestuur van de Caixabank). Eerstgenoemde mocht bijvoorbeeld in de krant van 14 november een hele pagina in beslag nemen om een zoveelste verhaal over de beheersing van de crisis af te steken.

Het troebele water van Prisa

Is dit slechts een Spaans verhaal? Niet helemaal. In het troebele water van Prisa vissen meerdere Fransen, die er zich blijkbaar heel erg op hun gemak voelen. Zoals Emmanuel Roman, de sterke man achter het Britse hedgefonds Man Group en Alain Minc, consultant voor verschillende bedrijven en vertrouweling van Nicolas Sarkozy. Net zoals de andere adviseurs van Prisa heeft Alain Minc afgelopen 22 oktober, enkele dagen voor de aankondiging van het massaontslag bij El País, een mooie bonus ontvangen: een aandelenpakket van Prisa (19,392 stuks) voor bewezen diensten. Jammer voor hem alleen dat de aandelenkoers zo laag is gebleven – momenteel rond de 0,40 euro – waardoor zijn ‘extraatje’ slechts een kleine 7700 euro waard is. Een schijntje.