Als een Hongaar de term “csehszlovák” gebruikt, dan weet iedereen dat hij het heeft over iets beroerds, iets wat niet goed functioneert, of het nu gaat om een product of een dienst. Deze pejoratieve uitdrukking, een argotwoord dat nog steeds gebruikt wordt, stamt uit het socialistische Tsjechoslowakije. In die tijd werd mijn vroegere thuisland door de Hongaren beschouwd als een beschamend land dat niets anders produceerde dan rotzooi: van auto’s die altijd pech hadden en lekkende tenten tot een waardeloze toeristische dienstverlening en een slecht functionerend overheidsapparaat.

De Hongaren hebben helemaal gelijk (ook al biedt hun eigen land tegenwoordig weinig om trots op te zijn). Tsjechoslowakije is vrijwel zijn hele bestaan lang een slecht functionerende, ondemocratische staat geweest, een onderwerp van schaamte. En zelfs de twintig goede jaren die volgden na 1918 [ten tijde van de eerste Tsjechoslowaakse Republiek, red.]hebben daar niet veel aan veranderd. Waarom zou ik er dus over treuren dat het twintig jaar geleden uiteen is gevallen?

Ik zou er absoluut niet mee hebben gezeten als deze scheiding de democratie niet had ingeperkt, ook al had deze splitsing in de eerste twee jaar na november 1989 na de Fluwelenrevolutie, red. een goede start gemaakt.

Democratisch wezen van de staat zou ontmaskerd zijn

Maar toen deze twee kleine landen werden opgericht, veranderden hun peetvaders in politici met dictatoriale trekjes. Zij streefden niet langer naar democratie, maar naar hetgeen in het Tsjechisch of Slowaaks “belang” genoemd wordt. Hoewel niemand precies weet wat dat betekent, nemen politici deze term graag in de mond. Zij proberen hiermee het natuurlijke doel van een staat in opbouw te ondermijnen, namelijk de totstandkoming van democratie.

Als Tsjechoslawakije had voortbestaan, dan hadden we ons niet kunnen verschuilen achter de uitdrukking “Tsjecholowaaks belang”, want het zou voor iedereen duidelijk zijn geweest dat zoiets niet had bestaan. De discussie over het democratische wezen van de staat zou ontmaskerd zijn en nationalisten zouden uit de verf zijn gekomen als degenen voor wie democratie een obstakel is. Dit onderscheid is tegenwoordig soms moeilijk te maken, vooral in Tsjechië.

Een nationale staat gebaseerd op het principe van etniciteit – waarop onze beide landen berusten, ook al probeert de Tsjechische grondwet dit, op informele wijze, af te zwakken – vormt een slechtere startpositie voor de opbouw van democratie dan landen die politieke nationaliteit, en niet etnische afkomst, als uitgangspunt hebben voor burgerschap. Ik ben er diep van overtuigd dat als Tsjechoslowakije vast had gehouden aan het principe van een politieke natie – ook al was het dan één van verschillende nationaliteiten – dat land nu democratischer geweest zou zijn dan onze beide kleine landen tegenwoordig.

Tsjechoslowakije is altijd een dictatuur geweest

Maar dat was waarschijnlijk onmogelijk geweest. Tsjechoslowakije is vrijwel zijn hele bestaan lang een dictatuur geweest en het geloof in een democratische en federale toekomst was na 1989 niet sterk genoeg. Dus als de Hongaarse term “csehül áll”, afgeleid van “Tsjechisch” en gebruikt om een beschamende situatie aan te duiden, nog steeds actueel is, dan moet ik zeggen dat we dat verdiend hebben.

Ik denk, en dat is niet alleen omdat we net een nieuw jaar zijn begonnen, dat na de opdeling van Tsjechoslowakije onze kleine wereld nog steeds een kans heeft op verbetering. En dat ondanks het feit dat de start, twintig jaar geleden, van Tsjechië en Slowakije niet de eenvoudigste was. Misschien dat hun peetvaders eindelijk voorgoed in de vergetelheid zijn geraakt.