Wie zegt dat de situatie in Rosarno, drie jaar na de opstand van immigranten, vernielingen, de opstand van de plaatselijke bevolking, klopjachten en tot slot de deportatie van de Afrikanen hetzelfde is gebleven, vergist zich. Het is erger geworden.

Er zijn opnieuw duizenden Afrikanen, net als toen: ze zijn in het najaar gekomen en vertrekken weer in het voorjaar, na voor 25 euro per dag sinaasappels te hebben geplukt. Al geven de eigenaren nu de voorkeur aan stukloon om de productiviteit te verhogen: een euro per kist van 18 tot 20 kilo mandarijnen en vijftig cent voor sinaasappels.

In het hoogseizoen werken ze drie tot vier dagen per week, op oproepbasis, waarbij ze drie euro betalen aan de koppelbaas die hen voor dag en dauw in het busje laadt. Op stille dagen dwalen ze op de fiets door de vlakte, doen ze boodschappen bij de discountsupermarkt, maken ze rijst met kippenvleugeltjes in roestige potten, drinken ze te veel bier en maken ze ruzie met elkaar.

Geen water, riool of elektriciteit

De twee enorme slaapzalen in de ruïnes van verlaten fabrieken bestaan al drie jaar niet meer: de ene is op last van de overheid gesloten en verlaten, de andere afgebroken. Ze moesten weg, en niet alleen uit het geheugen. Maar de nieuwe sloppenwijk tussen Rosarno en San Ferdinando is zo mogelijk nog afschuwelijker. Asbestplaten die zijn gevonden op oude fabrieksterreinen, waar Calabrië van uitpuilt, doen met heimwee terugverlangen naar de betonnen geraamten en ijzeren wanden. Nu bestaan de daken uit restanten cellofaan, karton en plastic.

Hoopjes samengedrukte aarde van twintig centimeter hoog vormen de ondergrond voor de tijdelijke schamele slaapplaatsen, om deze bij de geringste regenbui met modder te overspoelen. De wc’s zijn rechtsachter: twee putten van een meter breed en veertig centimeter diep in de aarde uitgegraven, in de openlucht en zonder enige beschutting. In de grootste tent, van tien bij vijf meter, zijn niet minder dan honderd slaapplaatsen te tellen, van ranzige matrassen tot veldbedden. Een onbeschrijflijke stank. Er is geen water, riool of elektriciteit; alleen bergen vuilnis.

“Een schandalige, barbaarse toestand, weerzinwekkend”, roept Domenico Madafferi, burgemeester van San Ferdinando. Op basis van een rapport over de “praktisch onbestaande” sanitaire voorzieningen,  een “situatie die een gevaar vormt voor de volksgezondheid” van “bouwvallige barakken” en “onleefbare illegale behuizingen” die “besmettingshaarden voor infecties kunnen vormen”, heeft hij eigenhandig een ontruimingsbevel uitgevaardigd. “Om het regionale bestuur en de regering, na nutteloze vergaderingen, oproepen en schriftelijke verzoeken, met de rug tegen de muur te zetten”, zo legt hij uit. “Maar er is niets veranderd, het blijft bij beloften.”

Een Zwitserland op de vlakte van Gioia Tauro

Toch is het nog maar een jaar geleden dat de overheid hier, op deze zelfde plek, een modelkamp opende: 280 slaapplaatsen, ruime vierpersoonstenten, oliekachels, satelliettelevisie, campingtoiletten, straatlantaarns, een ordelijke vuilnisdienst, een eetruimte met keuken en medische voorzieningen. Een Zwitserland op de vlakte van Gioia Tauro.

De regio had 55.000 euro uitgetrokken voor het beheer van dit kamp. De provincie betaalde de elektriciteit. Burgemeesters Elisabetta Tripodi van Rosarno en Domenico Madafferi van San Ferdinando deden de rest. De meest uiteenlopende vrijwilligersorganisaties – katholieke, evangelische en niet-kerkelijke – zorgden met behulp van duizenden mensen (hoezo racisme?) voor ondersteuning, voedsel en dekens. Het tentenkamp kwam bij de containers die in februari 2011 waren neergezet: 120 immigranten in zespersoonsmodules met keukentje en badkamer. Niet alleen werden de laatste getto’s ontmanteld, maar het nieuwe ‘Rosarno-model’ bood elke immigrant ook kost en inwoning voor 2 euro per dag, tegenover de ruwweg 45 euro die door de Civiele Beschermingsdienst werd uitgetrokken.

Hoewel het nog steeds niet voldoende was (er waren slechts 400 bedden in plaats van de benodigde 1200 beschikbaar in geval van nood), leek het in een regio waar de noodtoestand permanent lijkt te zijn (enige tijd geleden werden de drie belangrijkste gemeenten opeens tegelijkertijd ontbonden vanwege banden met de maffia), alsof er een wonder had plaatsgevonden. Maar snel bleek dat dit wonder slechts een kort intermezzo te zijn.

Chaos keert terug

Juni 2012: het geld van de regio is op, het tentenkamp wordt gesloten en verlaten, in afwachting van het nieuwe oogstseizoen. In augustus wenden de burgemeesters zich tot het regionale bestuur en de regering: er moeten op tijd regelingen worden getroffen, anders keert de chaos terug. Iets wat dan ook stipt gebeurt: eind oktober, als de mandarijnenoogst begint, wordt het onbeheerde tentenkamp ingenomen en overspoeld door de immigranten.

Per tent nemen zes immigranten hun intrek, maar daar blijft het niet bij, want er komen er meer. De burgemeesters vragen om hulp: ze hebben geen geld, geen voorzieningen en geen personeel om de situatie het hoofd te bieden. “Het regionale bestuur en de regering zijn afwezig, minister Riccardi reageert niet, alleen de president geeft een blijk van aandacht door – weliswaar te weinig – dekens te kopen en sturen”, zegt de moedeloze burgemeester. In de loop van enkele weken verandert ook de eetruimte in een enorme slaapzaal. Er is geen plek meer en de immigranten die als laatste komen, beginnen vlak naast het oorspronkelijke kamp de sloppenwijk te bouwen.

Zonder onderhoud kan de rioolafvoer de verviervoudigde bevolking niet aan, de containers met wc´s veranderen in onbruikbare beerputten, de keuken gaat dicht en de afvalcontainers barsten uit hun voegen. Er zou 50.000 tot 70.000 euro nodig zijn om het kamp tot het voorjaar op fatsoenlijke, efficiënte en gecontroleerde wijze opnieuw te beheren. Slechts 0,000006 procent van de Italiaanse overheidsuitgaven en de beloften van drie jaar geleden. Maar zelfs dat is voor Rosarno te veel.