In een van zijn laatste interviews vóór zijn val werd Nicolae Ceauşescu door een westerse journalist gevraagd hoe hij het kon rijmen dat Roemeense burgers niet vrijelijk naar het buitenland mochten reizen, terwijl de vrijheid om te gaan en te staan waar men wilde door de grondwet werd verzekerd. Zijn antwoord paste in de beste stalinistische traditie: het was waar dat de grondwet de bewegingsvrijheid waarborgde, maar dat gold ook voor het recht op een veilig en welvarend thuisland. Hier was dus sprake van een potentieel conflict tussen twee verschillende rechten: als Roemeense burgers het land zouden mogen verlaten, zou de welvaart van hun vaderland in gevaar komen. In geval van zo'n conflict moest er een keuze worden gemaakt, en het was duidelijk dat het recht op een veilig, welvarend thuisland de voorkeur genoot.

Het lijkt erop dat deze zelfde geest vandaag de dag rondwaart in Slovenië. Vorige maand oordeelde het Constitutionele Hof dat een referendum over wetgeving om een 'slechte bank' en een soevereine holding op te zetten, ongrondwettelijk zou zijn. Hierdoor werd een volksstemming over deze kwestie feitelijk gedwarsboomd. Het referendum was voorgesteld door de vakbonden, die zich verzetten tegen het neoliberaal economische beleid van de regering, en er genoeg handtekeningen waren opgehaald om het rechtsgeldig te maken.

Het idee van een 'slechte bank' hield in dat er een plek moest komen voor alle oninbare leningen van de voornaamste Sloveense banken, die dan zouden worden gered met behulp van geld van de staat (dat wil zeggen: van de belastingbetalers). Op deze manier kon serieus onderzoek naar de verantwoordelijkheid voor deze oninbare leningen worden vermeden. De maatregel, waarover maandenlang was gediscussieerd, werd zeker niet door iedereen aanvaard, zelfs niet door alle financiële specialisten. Dus waarom zou een referendum erover verboden moeten worden?

Grondwettelijke waarden in gevaar

Toen de Griekse regering van George Papandreou in 2011 een referendum over de bezuinigingsmaatregelen voorstelde, ontstond paniek in Brussel, maar zelfs toen durfde niemand het plan rechtstreeks te verbieden.

Volgens het Constitutionele Hof “zou het referendum ongrondwettelijke gevolgen” hebben gehad. Maar hoe dan? Het Hof gaf toe dat er een constitutioneel recht bestond om een referendum te organiseren, maar beweerde dat de tenuitvoerlegging daarvan andere grondwettelijke waarden in gevaar zou brengen, waaraan prioriteit zou moeten worden verleend in geval van een economische crisis: het doelmatig functioneren van het staatsapparaat, met name waar het gaat om het scheppen van de juiste voorwaarden voor economische groei; en de verwezenlijking van de mensenrechten, met name het recht op sociale zekerheid en op het ontplooien van vrije economische initiatieven.

Kortom, bij de beoordeling van de mogelijke gevolgen van het referendum aanvaardde het Hof dat een eventueel onvermogen om gehoor te geven aan de dictaten van internationale financiële instellingen (of om hun verwachtingen waar te maken) tot een politieke en economische crisis zou kunnen leiden, en dus ongrondwettelijk is. Boud geformuleerd: omdat het voldoen aan deze dictaten en verwachtingen de voorwaarde is voor de instandhouding van de constitutionele orde, hebben deze dictaten en verwachtingen voorrang op de grondwet (en dus op de soevereiniteit van de staat).

Volk niet gekwalificeerd

Slovenië mag dan een klein land zijn, deze uitspraak is een symptoom van een mondiale tendens naar het inperken van de democratische rechten. Het idee is dat, in een ingewikkelde economische situatie als die van vandaag de dag, de meerderheid van het volk niet gekwalificeerd is om te beslissen. De mensen zijn zich niet bewust van de catastrofale gevolgen die zich zouden manifesteren als aan hun eisen tegemoet zou worden gekomen.

Deze redeneertrant is niet nieuw. In een televisie-interview van een paar jaar geleden legde de socioloog Ralf Dahrendorf een verband tussen het toenemende wantrouwen jegens de democratie en het feit dat, na iedere revolutionaire verandering, de weg naar nieuwe voorspoed leidt door een ”vallei van tranen”. Na de ineenstorting van het socialisme is het onmogelijk om in één keer de overstap te maken naar de overvloed van een succesvolle markteconomie: de beperkte, maar reële socialistische welvaart en sociale zekerheid moeten eerst worden afgebroken, en die eerste stappen zijn noodzakelijkerwijs pijnlijk.

Hetzelfde geldt voor West-Europa, waar de overgang van de naoorlogse verzorgingsstaat naar de nieuwe mondiale economie pijnlijke offers met zich meebrengt, zoals minder sociale zekerheid. Volgens Dahrendorf wordt dit probleem verscherpt door het simpele feit dat deze passage door de ”tranenvallei” langer duurt dan de gemiddelde periode tussen twee verkiezingen, zodat de verleiding groot is om de moeilijke aanpassingen uit te stellen ten bate van electorale winst op de korte termijn.

Democratie hetzelfde als overvloed

Volgens hem is het paradigma hier de teleurstelling in de economische gevolgen van de nieuwe democratische orde van grote delen van de bevolking van de post-communistische landen: in de glorieuze dagen van 1989 dachten deze mensen dat democratie hetzelfde was als de overvloed van de westerse consumptiemaatschapij; en twintig jaar later, nu die overvloed zich nog steeds niet heeft aangediend, geven ze de democratie de schuld.

Helaas besteedt Dahrendorf veel minder aandacht aan de tegenovergestelde verleiding: als de meerderheid zich verzet tegen de noodzakelijke structurele economische veranderingen, zou dan niet een van de logische conclusies zijn dat een verlichte elite voor een jaar of tien de macht in handen moet nemen, als het moet met niet-democratische middelen, om de noodzakelijke maatregelen te nemen en op die manier de basis te leggen voor een werkelijk stabiele democratie?

Langs dezelfde lijnen heeft de journalist Fareed Zakaria uitgelegd hoe de democratie pas kan 'aanslaan' als landen een zekere mate van economische ontwikkeling hebben. Als ontwikkelingslanden “te vroeg worden gedemocratiseerd”, is het gevolg een soort populisme dat eindigt in economische catastrofe en politiek despotisme – geen wonder dat de meest succesvolle derdewereldlanden van tegenwoordig (Taiwan, Zuid-Korea, Chili) de volledige democratie pas na een lange periode van autocratische heerschappij hebben omarmd. En biedt deze redeneertrant niet de beste argumenten voor het autoritaire regime van China?

Neerbuigend advies

Wat vandaag de dag nieuw is, is dat ditzelfde wantrouwen jegens de democratie, dat ooit was voorbehouden aan de ontwikkelingslanden en de post-communistische landen, sinds het begin van de financiële crisis in 2008 terrein heeft gewonnen in het ontwikkelde Westen zelf: wat een jaar of twintig geleden nog een neerbuigend advies [om democratie in te voeren, red.] was aan het adres van anderen, gaat nu ook voor onszelf op.

Het minste wat je kunt zeggen is dat deze crisis het bewijs is dat het niet de mensen, maar de deskundigen zelf zijn die niet weten wat ze doen. In West-Europa zijn we getuige van een toenemend onvermogen van de regerende elite – ze weten steeds minder goed hoe ze moeten regeren. Kijk maar naar de manier waarop Europa omgaat met de Griekse crisis: druk op Griekenland uitoefenen om zijn schulden terug te betalen, maar tegelijkertijd de economie van het land ruïneren door bezuinigingsmaatregelen op te leggen, die er juist voor zorgen dat de Griekse schulden nooit zullen worden terugbetaald.

Tekorten te snel aanzuiveren is contraproductief

Eind oktober vorig jaar heeft het IMF zelf een onderzoeksrapport gepubliceerd, waaruit bleek dat de economische schade van agressieve bezuinigingen wel eens drie maal zo groot zou kunnen zijn als aanvankelijk werd gedacht, waardoor de eigen adviezen van het IMF over de noodzaak van bezuinigingen teniet werden gedaan. Inmiddels geeft het IMF toe dat het dwingen van Griekenland en andere met hoge schuldenlasten kampende landen om hun tekorten te snel aan te zuiveren, contraproductief zou zijn. Maar dit inzicht is pas gekomen nadat er honderdduizenden banen verloren zijn gegaan als gevolg van deze 'misrekeningen'.

En daarin schuilt de ware boodschap van de 'irrationele' volksprotesten in heel Europa: de demonstranten weten heel goed wat zij níet weten; zij wenden niet voor snelle of makkelijke antwoorden te hebben; maar wat hun instinct hen vertelt is niettemin waar – dat de machthebbers het ook niet weten. In het hedendaagse Europa nemen de blinden de blinden bij de hand.