De ironie is om van te smullen.

Het Europahuis in Smith Square, waar de Europese Commissie en het Europees Parlement hun gezamenlijke Londense hoofdkantoor hebben, is nu juist het gebouw – het voormalige centrale bureau van de Conservatieve Partij – waar Margaret Thatcher haar verkiezingsoverwinningen vierde.

Er waarden dus heel wat spoken op het feestje rond toen de trojka van prominente Britse eurofielen het Europahuis uitkoos voor de lancering van zijn proto-"Ja"-campagne deze week. Ken Clarke (Conservatief, minister zonder portefeuille), Lord Mandelson (Labour, voormalig EU-commissaris en spindoctor bij uitstek) en Danny Alexander (Liberaal-Democraat, staatssecretaris van Financiën) vormen samen het boegbeeld van het Centre for British Influence, dat zal pleiten voor behoud van het Britse EU-lidmaatschap, wanneer David Cameron het beloofde referendum over het lidmaatschap van de Europese Unie zal uitschrijven.

Gevolgen zijn bijna allemaal heilzaam geweest

Een beetje slap klinkt het wel. De naam alleen al, het Centre for British Influence, doet bijna denken aan een filiaal van Ukip. Sommige felle anti-EU-organisaties hebben een naam die meer betrokkenheid bij Europa uitstraalt.

Als het CBI – toevallig of wellicht doelbewust is het dezelfde afkorting als die van het Confederation of British Industry – de basis voor een toekomstige "Ja"-campagne moet vormen, heeft het verschrikkelijk veel weg van lobbyen in het geniep. Is de gedachte erachter misschien dat een onopvallende aanpak de enige manier is om de pro-EU-boodschap bij de Britse kiezers te doen landen?

Maar wellicht is dit helemaal niet zo'n slechte strategie. Niet alleen omdat tot voor kort uit peilingen is gebleken dat pro-Europese gevoelens uitsluitend toenemen wanneer het onderwerp niet langer het nieuws domineert, maar ook omdat de gevolgen van het EU-lidmaatschap voor Groot-Brittannië zo geleidelijk zijn geweest dat er nauwelijks iets van te merken viel. Vanuit het perspectief van de afgelopen veertig jaar zijn die gevolgen echter enorm geweest en bijna allemaal heilzaam.

Zelfbewustzijn is positief effect van EU

Er zijn veel tastbare voordelen van het EU-lidmaatschap en Groot-Brittannië vormt daar geen uitzondering op. Er is geld voor infrastructuurprojecten die wij – in tegenstelling tot de meeste andere EU-landen – niet dankbaar op grote borden aankondigen. Verder zijn er de immense hoeveelheid gemeenschappelijke normen waaraan we moeten voldoen en waardoor we deel uitmaken van een mondiale regelgevende instantie. Volgens eurosceptici is dit Brusselse "bureaucratie", maar wij zouden het liever beschrijven als een toegangsbewijs tot de beschaving.

Maar het meest positieve effect dat we aan onze vier decennia binnen de EU te danken hebben, heeft te maken met het zelfbewustzijn binnen het land. Nog belangrijker: doordat Britten met andere Europeanen in contact kwamen en omgekeerd, zijn we er ons individueel en collectief meer bewust van geworden hoe andere Europeanen dingen doen en wat wijzelf beter zouden kunnen doen.

Het heeft ons geholpen om gemakkelijker met anderen om te gaan, en velen hebben zich wellicht niet gerealiseerd in hoe sterke mate dat het geval is. Ga maar eens in de rij staan voor de Eurostar op station St. Pancras of in de vertrekhal van EasyJet op een willekeurig vliegveld in het land. Je zult in een Europese wereld terechtkomen, die nu gewoon en vertrouwd lijkt. De vorige generatie ervoer dat echter nog niet zo.

Geen weg terug naar provincialisme

Het verschil zit hem niet in de voedsel- of koffiecultuur of de komst van Zara of Novotel, ook al heeft de EU de kwaliteit van ons leven in al deze opzichten verbeterd. Het gaat evenmin om de taal; de Britten zijn hopeloos slecht in vreemde talen en lijken daar, hoe dwaas ook, nog altijd trots op te zijn. Wel veranderd is dat we ons bewust zijn geworden van de verschillende Europese accenten en mores en dat we deze hebben geaccepteerd. Ik herinner me nog dat een meisje op de lagere school met vakantie naar Spanje ging. Dat was zoiets nieuws dat de leraar ons allemaal een model van een arena liet maken. En nu? Er is geen weg terug naar een dergelijk provincialisme. Niet alleen omdat het Europese bewustzijn nu tussen onze oren zit – ja zelfs tussen die van Nigel Farage – maar ook omdat onze vrienden en buren hun uiterste best zullen doen om dat te verhinderen.

Anderen zien ons als Europees

Sinds het Verenigd Koninkrijk ongeveer een jaar geleden zijn jongste stuiptrekkingen wat betreft het al dan niet vertrekken uit de EU begon te vertonen, hebben ontelbare diplomaten in Londen, niet met vreugde maar uit ongerustheid, gevraagd of het werkelijk mogelijk is dat Groot-Brittannië de EU vaarwel zegt. Dat waren uiteraard Europeanen, maar ook Chinezen, Japanners, Rusland en niet in de laatste plaats Amerikanen. De waarschuwing van Philip Gordon van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, gevolgd door het telefoontje van president Obama met David Cameron – dat door het Witte Huis bekend werd gemaakt – spreekt boekdelen.

De kracht, de internationale invloed en de 21e-eeuwse identiteit van Groot-Brittannië wordt door de buitenwereld boven alles een Europees karakter toegedicht. Zo zien anderen ons. En zo zullen de Britten zich morgen, diep van binnen, zelf ook zien.