Ze werden afgekort tot NTA en NTMA, of tot TAD, TED en Tafta. Het waren louter initiatieven waarmee de economische betrekkingen tussen Amerika en Europa moesten worden verdiept. Maar het waren evenzeer louter initiatieven die al snel weer van het toneel verdwenen. Nu wordt er weer een nieuwe poging ondernomen.

Industrielobbyisten aan weerszijden van de Atlantische Oceaan kunnen de voorpret nauwelijks onderdrukken. De economie wil het, de politiek doet mee, en in principe is vrijhandel ook inderdaad een goede zaak. Toch is er veel voor te zeggen om het jongste initiatief met grote scepsis tegemoet te treden.

1. Een slecht signaal voor de rest van de wereld

Tariefmuren spelen in de transatlantische handel eigenlijk alleen nog een rol, omdat het volume van de goederenhandel zo groot is. De Europese chemieconcerns hebben in 2010 voor hun exporten naar de Verenigde Staten bijna 700 miljoen euro aan de Amerikaanse schatkist moeten afdragen. Maar het tarief bedraagt gemiddeld niet meer dan 2,25 procent.

Het wegvallen van deze omvangrijke tariefmuren mag dan ontlastend zijn voor bepaalde ondernemingen, een grootschalig effect op de groei zal het niet teweegbrengen. Daarvoor is een doorbraak nodig op terreinen waarop helemaal geen tariefmuren bestaan, maar waar de handelsbelemmeringen niettemin aanzienlijk zijn.

Precies op dat vlak zijn de mogelijkheden echter beperkt – omdat machtige belangengroeperingen als de landbouwlobby zich dan zullen roeren en de publieke opinie er niet vóór is.

Zo verhinderen Amerikaanse wetten een bredere harmonisering bij het toelaten van medicijnen. Europeanen willen geen hormoonvlees of genetisch gemanipuleerde maïs uit de Verenigde Staten importeren. En de Amerikanen zijn op hun beurt benauwd voor bacteriën in natuurlijk geproduceerde kaas uit Frankrijk of geïmporteerd rundvlees.

Hoe groot de meningsverschillen zijn, bleek al bij de onderhandelingen over een verdere multilaterale handelsliberalisering, die zich sinds 2001 onder de naam Doha-ronde voortslepen.

Hoe dan ook zou een transatlantisch vrijhandelsverdrag waarschijnlijk vol gaten zitten – en dat is een probleem. Want met een halfbakken overeenkomst tussen de Europese Unie en de VS zouden uitgerekend de twee machtigste handelsblokken van de wereld “een slecht vooorbeeld voor andere vrijhandelszones” afgeven, waarschuwt Rolf Langhammer van het Instituut voor de Wereldeconomie in Kiel.

2. Derden worden benadeeld

Als Europa en de VS het eens worden over een liberalisering van hun onderlinge handel, zouden alle anderen automatisch worden benadeeld. De kans is groot dat de handelsstromen uiteindelijk alleen maar zullen worden omgeleid, in plaats van dat er nieuwe ontstaan. Bovendien zou de rest van de wereld een transatlantisch akkoord “als uitsluiting kunnen opvatten, misschien zelfs als chantage op kosten van derden”, klaagt Langhammer.

Op het ministerie van Economische Zaken in Berlijn wordt precies om die reden betoogd dat de Europeanen ervoor zullen zorgen dat andere landen zich bij een eventueel akkoord kunnen aansluiten. Een eenmaal met veel moeite gesloten akkoord zal echter niet snel voor nieuwe deelnemers worden opengebroken, zodat die uiteindelijk louter zullen kunnen kiezen tussen meedoen of niet.

3. De doodssteek voor de Doha-ronde

De Doha-ronde zit muurvast, en het is de vraag of zij ooit nog met succes zal worden bekroond. Een onderonsje tussen de EU en de VS zou het signaal doen uitgaan dat het tijdperk van de bilaterale handelsovereenkomsten is aangebroken. Met iedere nieuwe afspraak zou de wereldhandel als geheel echter niet vrijer, maar louter ingewikkelder worden.

Jagdish Bhagwati, een uit India afkomstige hoogleraar aan de Columbia Universiteit van New York, geldt als een van de meest vooraanstaande handelsdeskundigen ter wereld. Volgens hem bestaat het gevaar dat Europa zijn drijvende kracht verliest voor een latere multilaterale handelsliberalisering, want de Europeanen zullen na het afsluiten van een verdrag over de liberalisering van de transatlantische handel “meer rekening moeten houden met de belangen van de VS en hun lobbygroeperingen”.

4. De nadruk op de verkeerde handelspartners

De afgelopen jaren is de transatlantische handel sterk toegenomen. Precies om die reden oefenen industriële belangengroeperingen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan druk uit op de politiek om tot een akkoord te komen. Maar de muziek zal in de toekomst ergens anders spelen, in Azië en Latijns-Amerika.

Wereldeconomiedeskundige Langhammer is bang dat een transatlantisch handelsakkoord Europa per saldo zelfs schade zal berokkenen, omdat het ten koste van de economische betrekkingen met de opkomende landen zal gaan.

Jagdish Bhagwati is het daarmee eens. Juist vanuit Europees perspectief is het hele project “geen goed idee”. Europa is volgens hem op het gebied van de handel duidelijk flexibeler dan de VS; dankzij het EBA-initiatief, waardoor de armste landen hun producten – met uitzondering van wapens – zonder invoerheffingen naar Europa kunnen exporteren, genieten de Europeanen meer sympathie.

Daarom moet de EU deze plannen begraven. Anders verzwakt ze alleen maar zichzelf. En de ontwikkelingslanden zijn zonder zo'n akkoord veel beter af.