Medelijden met Europa? Dat is een gepasseerd station, al is het niet chique zo’n arme stakker een trap na te geven. Europa legt op het internationale toneel minder gewicht in de schaal dan ooit. Binnen de eigen grenzen heerst hoogstens onverschilligheid bij de publieke opinie. En de leiders van ons continent zijn wat de Roma betreft in een opmerkelijk vuistgevecht verwikkeld geraakt. Dat alles is op zich al funest voor Europa, maar als klap op de vuurpijl is het ook nog eens failliet, financieel gezien.

Het gaat niet om de totale nationale schuld van de lidstaten van de Europese Unie maar om de begroting van de EU zelf, de exploitatie- en investeringsbegroting. In Brussel is de kas leeg.

Strijd om de begroting

De strijd om de begroting zal dit najaar centraal staan en alle andere werkzaamheden van het Europees Parlement in de schaduw stellen. Het dreigt een bloedige strijd te worden. Voor het eerst worden hierbij de regels van het Verdrag van Lissabon gehanteerd, dat het laatste woord aan het Parlement geeft. Voor de doemdenkers onder ons is het goed te beseffen dat er ten minste één terrein is waarop de EU voortdurend vooruitgang boekt, namelijk de democratisering. Dit geldt met name voor de bevoegdheden van de 736 Europarlementariërs. Een parlement dat over de begroting stemt, is een democratie waardig.

Maar daar houdt het goede nieuws dan ook op. De Commissie heeft afgelopen zomer een ontwerpbegroting voor 2011 ingediend van 126,6 miljard euro, ofwel 1,02 procent van het bruto nationaal product (bnp) van de Unie. De crisis en de staatsschuld nopen tot een sobere begroting: de lidstaten willen eerst hun eigen financiën op orde brengen en daarom blijft de geldstroom richting EU-begroting beperkt. Dat vond de Europese Raad echter nog niet genoeg; de Raad stelde de begroting verder naar beneden bij alvorens deze voor te leggen aan de Begrotingscommissie van het Europees Parlement. “Er is sprake van een impasse, een budgettaire patstelling”, stelt de voorzitter van de commissie, de Fransman Alain Lamassoure.

Wetgevingsreus

De EU is volgens hem een “reus op het gebied van wetgeving” geworden. Met elk nieuw Verdrag – Maastricht (1993), Amsterdam (1999), Nice (2003) en Lissabon (2009) – heeft de Europese Raad de Unie extra bevoegdheden gegeven. Met andere woorden, de staatshoofden en regeringsleiders hebben de EU steeds meer taken toebedeeld: energie, milieu, onderzoek, hoger onderwijs, oprichting van een diplomatieke dienst bestaand uit zesduizend functionarissen, enzovoorts.

Maar de Raad, die gekenmerkt wordt door zijn volstrekt achteloze optreden, heeft de EU nooit de middelen verschaft om haar nieuwe verantwoordelijkheden handen en voeten te geven. Integendeel: in het midden van de jaren tachtig bedroeg haar begroting 1,28 procent van het Europese bnp, nu is dat nog maar 1,02 procent.

Daarom overheerst nu het beeld dat Europa een besluiteloze mogendheid is, die allerlei prachtige plannen bedenkt maar ze nooit uitvoert. Denk maar eens aan de top van Lissabon waar de Raad besloot dat Europa de “meest concurrerende kenniseconomie ter wereld” zou worden. Het is komisch en bedroevend tegelijk: hoeveel octrooien zijn er nadien in Europa aangevraagd?

Begrotingsdwerg

De Unie mag op het gebied van de wetgeving dan wel een “reus” zijn geworden, op begrotingsgebied is zij een “dwerg”, vervolgt Lamassoure. Bij haar oprichting op grond van het EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal)-Verdrag van 1951 beschikte zij over eigen middelen: de aan de grens betaalde douanerechten (het gemeenschappelijk buitentarief). Als resultaat van de omvangrijke onderhandelingen over de wereldwijde verlaging van de tariefmuren verdwenen deze inkomsten. Om de kas te vullen, werd in 1984 besloten dat elk van de lidstaten een bijdrage voor Europa zou betalen naar rato van zijn bnp en btw-grondslag. Dit was bedoeld als een tijdelijke en aanvullende voorziening.

Maar het werd een vaste regel. Sindsdien zijn er geen eigen inkomsten meer begroot. Tegenwoordig bestaat de Europese begroting grotendeels uit nationale contributies. Die vormen de EU-component in de wetsvoorstellen van de 27 lidstaten op financieel gebied. Deze Europese bijdrage geniet even weinig populariteit bij de grote schatkistbewaarders als bij de nationale parlementsleden.

De logica van “voor wat hoort wat” heeft de overhand gekregen: Europa moet mij net zo veel opleveren als ik eraan bijdraag. Ziehier de tegenpool van de communautaire gedachte.

Europa moet eigen middelen tot zijn beschikking krijgen

Lamassoure merkt nuchter op dat vroeger "de ministers van Financiën niet wilden betalen” en dat ze tegenwoordig dankzij de crisis “niet langer kunnen betalen." We moeten de Europese budgettaire patstelling opheffen. We moeten ons losmaken uit het keurslijf van de nationale bijdragen.

Dat kan maar één ding betekenen: Europa moet weer eigen middelen tot zijn beschikking krijgen. De conservatieve fractie (Europese Volkspartij, EVP), de grootste in het Parlement, stelt een Europese belasting voor (heffing op financiële transacties of op de CO2-uitstoot). Lamassoure komt met een inventievere suggestie: laat Europa rechtstreeks btw heffen op bepaalde producten die van buiten de EU worden ingevoerd (zoals auto’s).