We willen de Europese teleurstelling niet verergeren. In deze tijden van grote neerslachtigheid in Europa zien we ervan af om opnieuw de leegte, die tegenwoordig zo kenmerkend is voor het Europese idee, bloot te leggen. We willen dus niet meteen een pessimistisch gezicht trekken als we de ontmoedigende afwezigheid van Europa op gebied van defensie en buitenlandse zaken constateren.

De afwezigheid van de EU is geen mislukking, dat zou immers veronderstellen dat we er echt ons best voor hadden gedaan. Het is een debacle, een droevige klucht. Mali bewijst dit, op meesterlijke wijze. Dit werd maar al te goed duidelijk tijdens de Europese Raad van de 27 ministers van Buitenlandse Zaken, die op maandag 11 maart bijeenkwamen in Brussel. Frankrijk heeft zich nog nooit zo alleen gevoeld sinds het begin van de Franse militaire interventie in de Sahel, als op die maandag.

Het kan ze niets schelen

Met hoffelijke vastberadenheid en een tikkeltje afstandelijk, waar Laurent Fabius bekend om staat, verzocht de Franse minister van Buitenlandse Zaken België en Spanje om nog maar 30 soldaten voor Mali. Geen 300, maar 30! En waarom? Omdat er nog 90 nodig zijn ter bescherming van de 500 trainers die de EU naar Bamako heeft gestuurd om een Malinees leger op te leiden.

Deze 90 soldaten moeten één voor één ‘losgepeuterd’ worden bij de 27 landen van het rijke Europa, dat zo graag pronkt dat het een van de grootste economische mogendheden ter wereld is. Laten we er geen doekjes om winden: de Belgische en Spaanse terughoudendheid heeft geen politieke of financiële reden. Het ligt veel eenvoudiger: het kan Brussel en Madrid niets schelen wat er allemaal gebeurt in de zandbak van de Sahel.

Het blijft bij woorden

De hypocrisie zegeviert. Op papier zijn de lidstaten het met elkaar eens. De stabiliteit in Afrika hangt zeer sterk samen met het uitdoven van de jihadistische brandhaard die zich verspreidt in de Sahel, zeggen de Europeanen. Hetzelfde geldt voor de veiligheid in Europa, voegen zij er aan toe, die zo kwetsbaar is voor het islamitische terrorisme.

Maar het blijft bij woorden. Als er gezamenlijk moet worden ingegrepen, dan blijft er niemand, of vrijwel niemand, over. Toegegeven, Parijs beging een fout toen het, in het begin, troepen stuurde zonder te overleggen met de lidstaten. Maar daarna was wezenlijke Europese solidariteit geboden, een gemeenschappelijk belang dat ze gezamenlijk hadden moeten verdedigen. Kortom, ze hadden de last moeten delen die in de toekomst gedragen moet worden.

Ziekelijke verdeeldheid

De EU had sterk aanwezig moeten zijn in dit werelddeel behalve als ze wil dat China, de VS of andere landen die de bevoorrechte partners van het 21e-eeuwse Afrika worden.

Maar helaas, Europa toont niet meer dan ziekelijke verdeeldheid en blinde krenterigheid. Slechts 5 van de 27 landen hebben zich echt ingezet voor de trainingsmissie van een Malinees leger. Behalve kernachtige uitspraken over de noodzaak van een “plan voor politieke en economische stabiliteit in de Sahel” kan de reactie van de meeste lidstaten over de gebeurtenissen in Mali samengevat worden in één zin: “Frankrijk zoekt het maar uit!”. En jammer dan van die tegenstrijdigheid de Fransen enerzijds te verdenken van postkoloniale trekjes en ze anderzijds alleen op de frontlijn te laten in Franstalig Afrika.

Europa ontvlucht de geschiedenis. Daar zal het ooit voor moeten boeten.