Kolontár kan niet meer worden geholpen. Tijdens een bezoek aan de gemeente die het meest door de uit het slibreservoir vrijgekomen giftige modder is getroffen, heeft de Hongaarse minister-president Viktor Orbán verklaard dat de plaats niet kan worden gesaneerd en er ter herdenking slechts een monument kan worden gebouwd, zo meldt Népszabadság op de voorpagina.

Net als de hele Hongaarse pers zet het dagblad vraagtekens bij de verantwoordelijkheden omtrent de ramp van 5 oktober. Het giftige restafval van de fabriek Ajkai heeft tot zeker 6 doden en 150 gewonden geleid. Magyar Nemzet wijst erop dat de "staatssecretaris van Milieu een voormalige commissaris is belast met het plaatselijk toezicht. Hij is degene die twee weken geleden het document heeft ondertekend waarin de moordende vloeistof bij de categorie ‘ongevaarlijk industrieel afval’ werd ingedeeld."

Hongarije-Roemenië: 1-1

"Het rode gif is al in de Donau terechtgekomen en bereikt dinsdag het Roemeense grondgebied,” verklaart Adevărul in Boekarest zorgelijk. Het verhindert het dagblad niet om het spottend te hebben over de wedstrijd “Hongarije-Roemenië, 1-1 op het gebied van rampen”, waarbij het herinnert aan de ramp bij de stad Baia Mare in 2000. Er vond toen een dambreuk plaats waarbij meer dan honderdduizend kubieke meter mijnafval in Roemeense en Hongaarse rivieren wegvloeide. Dit jaar wordt er circa een miljoen kubieke meter door de fabriek in Ajkai in het Donaubekken geloosd.

Uit zo’n nieuwe ramp zouden “we allemaal lering moeten trekken”, roept Jurnalul naţional verontwaardigt op de voorpagina. Het dagblad uit Boekarest is van mening dat “naar de buren kijken en proberen op rampen te zijn voorbereid en niet afzien van verouderde technologieën, hetzelfde is als “nee” zeggen tegen leven in de 21e eeuw. In onze tijd maken de beschikbare technologie en de Europese wetgeving het mogelijk om ongelukken voor 99 procent te voorkomen.” De staten en de burgermaatschappij, zo verlangt het dagblad, “zouden alle investeerders moeten verplichten om ervoor te zorgen dat die ene overblijvende procent aan risico nooit werkelijkheid wordt.”

Niet de laatste verrassing

Helaas zal dit voor Europa, zo waarschuwt Die Presse, nog niet de laatste verrassing zijn. Het Weense dagblad verzekert dat er in Midden- en Oost-Europa grote aantallen “milieubommen” zijn. In talrijke oude industriële installaties *"zijn veel voor het milieu gevaarlijke technologieën, met afvalproducten in slecht beveiligde opslag**plaatsen en bekkens, een erfenis van de socialistische industrialisatie”,* verklaart de krant. Zo “*werd er in de communistische tijd in Ajka bauxiet gebruikt, dat omgezet in klei naar de Sovjet-Unie werd vervoerd waarna het vervolgens omgezet in aluminium weer werd geïmporteerd. Dus liep en loopt Hongarije nog steeds een enorm milieurisico.”*

In Hongarije worden, maakt Die Presse duidelijk, er 21 plaatsen als gevaarlijk beschouwd, waaronder enkele voormalige Sovjetvliegvelden. Ajka stond slechts op de twaalfde plaats op deze lijst. Het opslagbekken van Oradea in het uiterste westen van Roemenië zou nog veel gevaarlijker zijn. Het hoorde bij een aluminiumfabriek die na de val van de muur is gesloten en is aan een Russische investeerder verkocht die in 2006 failliet is gegaan. Sindsdien staan fabriek en bekken te vergaan zonder dat er ook maar enige vorm van protest klinkt.

Grote hiaten Europese wetgeving

“Bij een ramp van die omvang kijken we onmiddellijk naar de Europese Unie”, merkt De Standaard op. “Terecht. Precies vanuit het besef hoe afhankelijk we van elkaar zijn, zetten we het Europese integratieproject op de sporen.” Maar het Vlaamse dagblad erkend dat “er nog heel grote hiaten in de Europese wetgeving [zitten]. Al te vaak slagen machtige en goed georganiseerde belangen erin gaten te slaan in de regelgeving, of het nu economische sectoren of nationale regeringen zijn. En al te vaak staat het algemeen belang pas centraal na een ramp.”

Het is dus aan de nationale en Europese autoriteiten de toepassing van de wetten beter te controleren. Want “de burger heeft nog steeds een ambivalente relatie met de Europese Unie. Er is geen betere manier voor de EU om de burger voor zich te winnen, dan door op te treden als de strenge behoeder van het algemeen belang.”