In 2009 werd de Zweedse publieke opinie opgeschrikt door een reportage van de publieke televisiezender SVT. Daarin werd getoond hoe de Russen tussen 1989 en 1992 in het geheim chemische wapens in de Oostzee dumpten. De verslaggevers hadden met een verborgen camera een van de Russische operaties in de Zweedse wateren gefilmd. De containers die het Russische leger dumpte, bevatten voornamelijk verlammende gassen en radioactief afval. De Zweden waren niet alleen geschokt door de handelwijze van de Russen, maar vooral door het feit dat sommige leden van de Zweedse regering wisten dat er bij het eiland Gotland giftig afval werd gestort en dat zij niets hadden gedaan om dat te verhinderen.

In het begin van de jaren negentig moesten de Russen beslissen wat ze zouden doen met hun enorme arsenaal aan chemische wapens dat in de voormalige militaire bases van de Sovjet-Unie lag opgeslagen, met name in de haven van de Letse stad Liepaja.

De Russen hadden geen geld om de wapens te verplaatsen of te recyclen. Het milieu en de veiligheid van de Polen of de Zweden was wel het laatste waar de generale staf van het Rode Leger, dat in financieel en moreel opzicht aan de grond zat, zich druk om maakte. En dus stortten ze om louter economische redenen de chemische wapens in de Oostzee.

Long- en huidkanker bij Zweedse vissers

De gevolgen van dit besluit werden al snel zichtbaar. Vanaf het midden van de jaren negentig nam het aantal gevallen van long- en huidkanker bij Zweedse vissers die tussen [het Deense eiland] Bornholm en Gotland voeren, sterk toe. Dat zijn kenmerkende symptomen van blootstelling aan mosterdgas (ypriet). Deze kleurloze en olieachtige stof, die enigszins naar knoflook en mosterd ruikt, is heel moeilijk te herkennen wanneer je geen specialist bent.

Onopgelost ypriet kan vele jaren in gecorrodeerde containers blijven en langzaam weglekken. Op een gegeven moment zullen de containers volledig uit elkaar vallen, waardoor enorme hoeveelheden dodelijk gif in het water van de Oostzee zullen stromen.

267.000 ton bommen, raketten en mijnen

Tijdens de conferentie van Potsdam in 1945 werd besloten ongeveer 267.500 ton bommen, raketten en mijnen met daarin chemische wapens weg te doen. De goedkoopste manier om van dit hinderlijke arsenaal af te komen, was om het in de Oostzee te dumpen, vooral in het Bornholm-bekken (op ongeveer 105 meter onder de zeespiegel) en in het Gotland-bassin (in de omgeving van het diepe bekken bij Landsort op 459 m diepte).

Al met al hebben de Russen 40.000 ton aan verschillende soorten containers met daarin adamsiet, mosterdgas, fosgeen, tabun en blauwzuur in een gebied van 2.800 km2 bij Bornholm gestort. Op hun beurt hebben de Britten in 1945 in de zeestraat Kleine Belt 69.000 ton munitie gevuld met tabun en 5.000 ton bommen met daarin fosgeen en tabun gedumpt. Een jaar later brachten de Amerikanen in de Deense zeestraten 42 Duitse schepen met 130.000 ton chemische munitie aan boord tot zinken. De Duitse kust bleef evenmin gespaard: in het begin van de jaren vijftig dumpten de Sovjet-Unie en de Duitse Democratische Republiek daar 6.000 ton oorlogsgassen. De Poolse kust wordt vooral bedreigd door de duizenden tonnen chemische wapens die de Russen ten zuiden van Gotland stortten.

Lokale ecologische ramp

Hebben de landen aan de Oostzee een gemeenschappelijke strategie om de onderzeese voorraden chemische wapens op te ruimen? Er is niets wat daarop lijkt. Er is geen duidelijk beleid vastgesteld hoe we onze zee van dit vreselijke gifmengsel kunnen zuiveren. Gelukkig wordt er steeds meer aandacht aan dit probleem geschonken. In november 2010 heeft de Europese Unie een project gefinancierd met als doel de toestand van de stortplaatsen te onderzoeken en methoden te bedenken om de zeebodem schoon te maken en een milieuramp te voorkomen. Polen geeft leiding aan een ander project genaamd Chemsea, waarin elf onderzoekscentra uit Zweden, Finland, Litouwen, Duitsland en Polen samenwerken. Dit jaar wordt een rapport verwacht van de speciale werkgroep Helcom Muni, die is ingesteld om te onderzoeken hoe het er met de voorraden chemische wapens op de bodem van de Oostzee voor staat.

Zelfs de beste militaire deskundigen kunnen niet precies voorzien wanneer er grote hoeveelheden gifgas weglekken. Men denkt nu dat de stalen reservoirs voor de opslag van chemische wapens zeer langzaam corroderen en dat de kleine hoeveelheden giftige stoffen die daaruit ontsnappen, snel zullen hydrolyseren. De gelekte toxinen zullen vervolgens op de zeebodem terechtkomen, omdat ze zwaarder zijn dan water. Het enige risico zou verband houden met graafwerkzaamheden op de zeebodem, bijvoorbeeld voor de aanleg van gasleidingen of van glasvezelkabels. Daarom heeft het Duits-Russische onderzeese gasleidingenproject bijzonder levendige discussies losgemaakt over het gevaar van een lokale ecologische ramp.

Oostzee is ook stortplaats conventionele wapens

Functionarissen van de Poolse marine benadrukken echter dat de gasleidingen en de chemische wapens niet het grootste gevaar vormen. Vaak vergeten we dat de Oostzee ook een stortplaats is van conventionele wapens, waaronder zware munitie, bommen, zeemijnen en complete containers met artilleriegranaten. Mocht een van deze wapens ooit ontploffen, dan zou er een kettingreactie ontstaan waarbij de stranden met uiterst giftige stoffen zouden worden overspoeld. Niemand weet of een dergelijke milieuramp vergelijkbaar zou zijn met die van Tsjernobyl of dat de gevolgen nog desastreuzer zouden zijn.

Zolang de regeringen van de landen aan de Oostzee geen actieprogramma's opstellen om deze onderzeese voorraden chemische wapens te verwijderen, is het levensgevaarlijk om een wandeling op onze stranden te maken en blijft de Oostzee een opslagplaats van giftig afval.