Op 7 en 8 april brengt Vladimir Poetin een bezoek aan Duitsland. Hij gaat naar Hannover, waar de Russische president samen met Angela Merkel de grote Industriebeurs zal openen. Rusland is daar dit jaar de eregast, en de top van het Russische bedrijfsleven heeft er natuurlijk al een stand gereserveerd. In 2012 voerde de bondskanselier dezelfde exercitie uit met de Chinese premier, Wen Jibao. Toen stond Beijing centraal tijdens de expositie. Beide landen zijn een typisch voorbeeld van de osmose tussen de Duitse diplomatie en economie.

In Duitsland wordt industriële export niet alleen gezien als een gevolg van het concurrentievermogen van de economie, maar als een doel op zich. Een fabrieksmerk is er reden tot trots, ook voor links en de vakbonden. En een verzekering tegen de vergrijzing, omdat er, door het handelsoverschot te beleggen, in de toekomst deels in de financieringsbehoefte van het sociale stelsel mee wordt voorzien.

Handel is ideale toegangspoort naar de wereld

In dit land, dat na de Tweede Wereldoorlog decennialang geen aanspraak durfde te maken op welk bijzonder strategisch belang dan ook – “Wij werden geacht dezelfde belangen te hebben als onze bondgenoten en buren”, vertrouwt een diplomaat ons toe -, vormt de handel een ideale toegangspoort naar de wereld.

Ze reist veel, Angela Merkel. Sinds 2007 reisde de bondskanselier maar liefst 274 keer naar een buitenlandse bestemming: 168 in Europa, 59 in Azië, 29 in Noord-Amerika, 11 in Afrika en 7 in Latijns-Amerika. Ze bezocht zelfs het kleine Moldavië. China neemt in die overvolle agenda een bijzondere plaats in. De bondskanselier ging er in de afgelopen zes jaar maar liefst zes keer voor een langer bezoek naar toe, waarvan twee keer in 2012. Iedere keer gaat Merkel naar Beijing en naar het platteland. Dat is natuurlijk geen toeval. In tien jaar tijd steeg de handel tussen de twee landen van 36 miljard naar 144 miljard euro. China is de derde grootste handelspartner van Duitsland geworden (na Frankrijk en Nederland), en in de afgelopen tien jaar noteerde Duitsland zes keer een handelsoverschot.

Inzetten bevoorrechte relatie met Washington

Een ander voorbeeld van de Duitse ontwikkeling is de relatie met de Verenigde Staten. Natuurlijk gaat die veel verder dan een strikt economisch kader. De verankering in de NAVO is een van de pijlers van de Duitse diplomatie. Maar Berlijn wist in de afgelopen maanden zijn bevoorrechte relatie met Washington prima in te zetten voor een opzienbarende herstart van de onderhandelingen over een vrijhandelsverdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten.

Het was overigens in Berlijn waar de Amerikaanse vicepresident Joe Biden op 1 februari de nieuwe regering-Obama groen licht gaf voor het initiatief. Om de Duitse industrie te bevoordelen aarzelde Angela Merkel dus noch om de Europese Commissie, die in deze materie verantwoordelijk is, te omzeilen, noch om een nieuw geschil te laten ontstaan met Frankrijk, dat er veel terughoudender tegenover staat, noch om het multilateralisme de rug toe te keren dat tot nu toe de hoeksteen van de Duitse diplomatie vormde.

Stiekem de derde grootste wapenexporteur

Een ander onderwerp zorgt voor een soort van heilige verbondenheid in Duitsland: de toegang tot grondstoffen. Er staat veel op het spel want zonder grondstoffen vreest een groot deel van de industriële sector stil te komen staan. Resultaat: in februari 2012, op het hoogtepunt van de Griekse crisis, rolde Angela Merkel de rode loper uit voor de president van Kazachstan, Noursoultan Nazarbaïev, en tekende met hem een akkoord over de Duitse exploitatie van de uraniumrijke grond van het land. Mensenrechtenactivisten protesteerden, werkgevers applaudisseerden. Deze gelegenheid zou toevallig net samenvallen met de behandeling van Kazachstaanse dictator in een Hamburgse kliniek.

Duitsland, dat stiekem de derde grootste wapenexporteur ter wereld is geworden (na de Verenigde Staten en Rusland), weet ook te profiteren van het succes van zijn onderzeeërs (bij de Israëlische marine) en zijn tanks, waarvan Saoedi-Arabië en Algerije er enkele honderden willen kopen om een diplomatieke rol te kunnen spelen in de Arabische wereld en het Midden-Oosten. Ook aarzelt Duitsland niet om in te spelen op de vijandschap van sommige landen jegens Frankrijk, getuige de Duitse alomtegenwoordigheid in de Maghreb.

Angela Merkel heeft bovendien een taboe durven doorbreken: de bondskanselier aarzelt niet om wapens te verkopen aan bevriende landen, zelfs in conflictgebieden. De oppositie spreekt van een op de korte termijn gerichte ‘Merkel-doctrine’, maar de meerderheid en veel experts zien er slechts de officiële bekrachtiging in van het beleid dat Gerhard Schröder, haar sociaaldemocratische voorganger, al eerder voerde.

Het eeuwige trauma van Duitsland

Maar zelfs al neemt Duitsland in meerdere landen deel aan vredesmissies (met 4500 soldaten in Afghanistan, 730 in Kosovo, 320 in de hoorn van Afrika, 300 in Turkije, 150 in Libanon en sinds kort 330 in Mali en Senegal), dan nog blijft het uitzenden van soldaten naar het buitenland een impopulaire maatregel, en dus een politiek risico voor de bondskanselier.

In een commentaar op de beroering die er in het land is ontstaan naar aanleiding van een televisieserie waarin uitgebreid wordt ingegaan op de rol van de gewone Duitser bij nazimisdaden, kopt Der Spiegel van 25 maart: “De oorlog en de Duitsers: het eeuwige trauma”. Daarom verzette Duitsland zich tegen de VN toen die in 2011 wilde ingrijpen in Libië. En daarom is het land zo weinig betrokken bij de situatie in Mali. En daarom willen ze niet betrokken raken bij het geweld in Syrië. Meestal wordt die terughoudendheid van Merkel en haar minister van Buitenlandse Zaken Guido Westerwelle door specialisten (en de pers) bekritiseerd, maar het publiek denkt daar anders over.

Geen samenhangend buitenlands beleid

Veel handel, weinig mensenrechten en een inzet die beperkt blijft tot deelname aan NAVO- en VN-missies: vormt dat allemaal een samenhangend buitenlands beleid? “Nee”, oordeelt Frank-Walter Steinmeier, voorzitter van de sociaaldemocratische fractie in de Bondsdag en minister van Buitenlandse Zaken van 2005 tot 2009. Een “overdreven oordeel”, volgens Eberhard Sandschneider, een van de leiders van de stichting DGAP (Duits genootschap voor buitenlands beleid). Hij vindt dat Duitsland “zich aanpast aan de ontwikkelingen in de wereld”, zelfs al heeft het land moeite zijn macht te aanvaarden, vooral ten opzichte van de Verenigde Staten.

De afzijdigheid van Duitsland bij de VN over de Libische kwestie kan gezien worden als een gebrek aan moed van de vierde economische wereldmacht, maar ook als kenmerk van de relatieve autonomie die het land heeft ten opzichte van zijn twee grootste bondgenoten, Frankrijk en de Verenigde Staten. De terughoudendheid van Duitsland om troepen naar gevechtszones te sturen mag dus niet leiden tot onderschatting van de macht van zijn diplomatie, zelfs als de Duitsers zelf soms hun neus ophalen voor hun doorslaggevende invloed en de consequenties daarvan.