Dit jaar wordt de ouderwetse voorjaarsschoonmaak vergezeld door een controverse over afval. Polen wordt, samen met tien andere lidstaten, door de EU gehekeld om zijn rotzooi, vuil en het bovenmatige afval.

Dit roept een voor de hand liggende – en misschien wel urgente – vraag op, die echter zelden wordt gesteld: moeten we echt zo veel afval produceren? Of, vanuit een iets ander perspectief: bezwijkt de moderne maatschappij aan een obsessie voor zaken die uiteindelijk onze ondergang betekenen?

Tegenwoordig slepen homo sapiens in plastic verpakt voedsel en flessen water naar hun hol, en dat terwijl ze over efficiënte waterleidingen beschikken. Vaak slepen ze teveel mee, omdat het uitverkoop is of opruiming, omdat het goedkoper is als je een grote verpakking neemt of omdat je nooit teveel van iets goeds kan hebben.

Toen onze ouders en grootouders hun eerste tv kochten, werd aan hen beloofd dat die een leven lang mee zou gaan. De levensverwachting van de eerste generatie mobiele telefoons werd al bijgesteld naar tien jaar. Tegenwoordig is een tabletcomputer op het moment van aanschaf al verouderd.

Onderzoekers noemen de moderne westerse individu ‘een consument van noviteiten’. Zij betitelen de vooruitgang van Polen in de afgelopen twee decennia als ‘imiterende modernisering’. Mensen hebben altijd de behoefte gehad dingen te hebben en te verzamelen. De overgang van Polen naar het kapitalisme was slechts een nieuwe, meer intense, echt Amerikaanse versie van een hunkering naar materialisme.

kopen, hebben, weggooien, nieuwe kopen

Als natie worden de Polen nog steeds geteisterd door het syndroom van een opkomende consumptiemaatschappij: kopen, hebben, weggooien, nieuwe kopen, goedkoop, zó goedkoop, het is zonde als je het niet koopt.

“In Polen werd de materiële cultuur voortdurend geplaagd door tekorten, gebruiksvoorwerpen verloren feitelijk dus nooit hun praktische waarden”, zegt hoogleraar culturele antropologie aan de Universiteit van Warschau Włodzimierz Pessel die “afvaldeskundige is” en onderzoeken heeft geleid in Polen en Scandinavië.

De Poolse voorliefde om rotzooi te verzamelen, de neiging om spullen te bewaren en nooit iets weg te gooien, is volgens Pessel te wijten aan de lange traditie van tijdelijke oplossingen en huisvesting, waar miljoenen Polen mee te maken hebben gehad. Zij zijn eeuwenlang verbannen, hun land is onteigend en ze moesten zich telkens ergens opnieuw vestigen. De Poolse geschiedenis is er een van constante heropbouw en dingen uit de grond stampen.

De afvalvermindering, het hergebruik en de recycling tezamen is een officiële religie in het westen van de EU die met veel toewijding wordt gepraktiseerd. Als je je vuilniszak op het verkeerde tijdstip buitenzet of je gooit je glazen potten in een vuilnisbak voor plastic, dan krijg je een boete. Je wordt in morele zin voortdurend lastiggevallen en gestigmatiseerd door de EU. Zij verspreidt irritante propaganda over reinheid en orde en bouwt om de vuilverbrandingsfabrieken heen en op de ellenlange lijsten met afvaltips mooie tempels waar het gezond is om te leven – skipistes, uitzichtpunten en gezellige cafés –.

In het westen van de EU zijn de inleverpunten voor afgedankte elektrisch en elektronisch apparaten AEEA zodanig afgebakend met hekken dat mensen hun spullen niet in de verkeerde afvalbak kúnnen gooien. In Polen zijn deze hekken bedoeld om te voorkomen dat het afval wordt gestolen.

In Duitsland wordt ongeveer de helft van het afvalaanbod gerecycled en het doel is om dat aandeel tot 75 procent te verhogen in de nabije toekomst. In Polen wordt slechts tussen de 5 en 10 procent van het afval gerecycled. Alleen Roemenië en Letland scoren in de EU slechter.

Radicale verandering van het gedachtegoed

Zal de ‘afvalreligie’ de leer van het kapitalisme vervangen, de dogma van voortdurende productie, waar goed door beter –zelfs als het alleen maar beter lijkt- wordt vervangen? Waar duurzaam door minder duurzaam wordt vervangen? De grootste hedendaagse denkers filosoferen over de toekomst van een wereld die volledig in beslag wordt genomen door het recyclen van bergen afval die maar blijven groeien. De meesten denken dat het kapitalisme onverwoestbaar is en dat het onderscheidende kenmerk van deze zogenaamde late postmoderniteit juist is dat het niet kán eindigen.

Maar het hedendaags kapitalisme zou de ‘afvalreligie’ niet propageren als het in zijn eigen nadeel zou zijn of alleen maar omdat het in het belang van het milieu is. Zoals iemand eens zei: “wie zijn hand in het afval steekt, kan ook de winst pakken”. De Noren hebben uitgerekend dat vier ton afval evenveel winst oplevert als een ton olie. En dus behandelen ze het afval ook als zodanig. Afval is niet alleen een bijproduct van de beschaving, het is ook een groeiende handel waar zowel door het produceren van rotzooi als door het recyclen ervan geld kan worden verdiend.

De wetgeving die onlangs in Polen is ingevoerd, zal ongetwijfeld voor veel beroering zorgen. Moeten betalen voor iets dat je voor altijd weggooit, kan een schok veroorzaken. Stoppen met in het holst van de nacht afval weggooien in het dichtstbijzijnde bos of rivier en in plaats daarvan een lokale oplossing ontwikkelen en succesvol implementeren, het is bijna een droombeeld. Voeg daar de dagelijkse rituelen van het sorteren van verpakkingen, dozen, flesjes, blikjes en tasjes aan toe en je hebt het over een radicale verandering van het gedachtegoed.

Het zou goed zijn als de afvalrevolutie Polen van zijn huidige niveau van vroeg consumentisme naar een hoger plan zou trekken, eentje die minder voorspelbaar en minder ondoordacht is. Het is waarschijnlijk hoog tijd dat we onze handen in ons eigen afval steken.