Welke vorm van duurzame energie komt het meest voor in de Europese Unie? Zonne-energie, misschien? Driekwart van alle zonnepanelen op de wereld staan in Europa. En wind? Duitsland verdrievoudigde zijn capaciteit het afgelopen decennium. Het antwoord is echter: geen van beide. De duurzame brandstof die het meest wordt gebruikt in Europa, is hout.

In zijn vele vormen, van stokjes via pellets tot zaagsel, neemt hout (of om de meer modieuze naam te gebruiken: biomassa) ongeveer de helft van Europa’s duurzame energieproductie voor zijn rekening. In sommige landen, zoals Polen en Finland, wordt meer dan 80 procent van de vraag naar duurzame energie voldaan door hout.

Zelfs in Duitsland, de bakermat van de ‘Energiewende’ (de energietransformatie), dat veel subsidiegeld in wind- en zonne-energie heeft gestopt, wordt 38 procent van de niet-fossiele brandstofconsumptie geleverd door een vorm van hout.

Hout heeft veel voordelen

Na jaren waarin Europese regeringen opschepten over hun hightech CO2-neutrale energierevolutie, blijkt nu de favoriete brandstof van de pre-industriële bedrijven de grote winnaar te zijn.

Het idee dat hout verbranden weinig CO2-uitstoot met zich meebrengt, klinkt gek. Maar het oorspronkelijke argument om het op de EU-lijst van duurzame energiebronnen te zetten, was aannemelijk. Als hout dat in een energiecentrale wordt gebruikt, uit zorgvuldig beheerde bossen komt, dan wordt de CO2-uitstoot die uit de schoorsteen komt gecompenseerd door de CO2 die wordt opgenomen en opgeslagen door nieuw geplante bomen. Hout kan CO2-neutraal zijn. Of dat in de praktijk ook zo is, dat is een ander verhaal. Maar toen de beslissing werd genomen dat hout het label ‘duurzaam’ mocht dragen, nam het gebruik ervan een enorme vlucht.

Voor de elektriciteitssector heeft hout verschillende voordelen. Het aanleggen van windmolenparken is duur. Elektriciteitscentrales kunnen echter met slechts een kleine investering zo worden aangepast dat de ovens branden op een mix van 90 procent kolen en 10 procent hout (het zogenaamde ‘co-firing’). En in tegenstelling tot nieuwe zonne-energievelden of windmolenparken zijn elektriciteitscentrales al op het hoogspanningsnet aangesloten.

Bovendien kunnen centrales op hout altijd stroom leveren. Voor ’s nachts of dagen zonder wind is er geen reservestroom nodig. En omdat hout kan worden gebruikt in kolencentrales die anders gesloten hadden moeten worden vanwege nieuwe strengere milieuregels, is het ook zeer geliefd bij de energiemaatschappijen.

Geld groeit aan de bomen

Het heeft er toe geleid dat er snel samenwerkingsverbanden werden opgezet om EU-subsidies voor biomassa binnen te slepen: milieuorganisaties, die dachten dat hout CO2-neutraal was, werkten samen met de nutsbedrijven, die in co-firing een goedkope manier zagen om hun kolencentrales open te houden, en met overheden, die in hout de enige manier zagen om hun doelstellingen voor duurzame energie te halen.

De EU wil namelijk dat in 2020 20 procent van de energievoorziening van duurzame bronnen afkomstig is. Als de EU alleen afhankelijk zou zijn van zonne- en windenergie, dan zou dat bij lange na niet worden gehaald.

De strijd om te voldoen aan de 2020-doelstelling heeft geleid tot een nieuwe soort van energiehandel. In het verleden was elektriciteit die werd opgewekt door hout een kleinschalige bedoeling waarbij afval werd gerecycled: Scandinavische pulp- en papiermolens hadden een elektriciteitscentrale in de buurt die takken en zaagsel verbranden. Later kwam de co-firing, die een kleine verandering teweegbracht. Maar in 2011 bouwde het Duitse nutsbedrijf RWE zijn ovens in de Tilbury B-centrale in Oost-Engeland om tot verbranders van houtpellets (een veelgebruikte vorm van hout voor industriële verbanding). De centrale vloog prompt in de fik.

Hout produceert twee keer CO2-uitstoot

Volgens de International Wood Markets Group uit Canada verbruikte Europa in 2012 13 miljoen ton houtpellets. Door de huidige tendens zal de Europese vraag in 2020 gegroeid zijn naar 25 tot 30 miljoen ton. Europa produceert echter niet genoeg hout om aan deze extra vraag te kunnen voldoen. Een groot deel zal dus moeten worden geïmporteerd. In 2010 groeide de import van houtpellets in de EU al met vijftig procent.

De Europese Pelletraad (EPC) verwacht dat de wereldwijde handel (door de toenemende vraag van zowel de Chinezen als de Europeanen) vijf tot zes keer zo groot zal zijn rond 2020: van 10-12 miljoen ton nu naar 60 miljoen ton dan. Veel hout zal komen uit West-Canada en Zuid-Amerika, waar de houtindustrie hoogtij viert.

De prijzen rijzen de pan uit. Hout is geen basisproduct en er is geen eenheidsprijs. Maar uit een index van houtpellets van Argus Biomass Market blijkt dat de prijs voor een ton pellets steeg van 116 dollar in augustus 2010 naar 129 dollar eind 2012.

Hout produceert twee keer CO2: één keer in de elektriciteitscentrale en één keer tijdens de productie. Voor het maken van pallets moet het hout worden vermalen tot een soort brij die dan onder druk wordt gezet. Voor dit alles, inclusief het verschepen, is energie nodig en dat levert ook weer CO2-uitstoot op: voor elke MWh elektriciteit gaat er 200 kilogram CO2 de lucht in.

Op deze manier wordt de vermindering van CO2-uitstoot door de overstap naar hout geminimaliseerd en stijgt de prijs van de uitstootbesparingen juist. Per MWh wordt er 45 pond [ca. 53 euro, red.] aan subsidie verstrekt, zegt Roland Vetter, hoofd onderzoek bij CF Partners, het grootste Europese bedrijf op gebied van CO2-handel . Het kost dus 225 pond [ca. 263 euro, red.] om een ton aan CO2-uitstoot te besparen door over te schakelen van gas naar hout. En dan gaan we er nog van uit dat de rest van het proces (in de centrale) CO2-neutraal is. Wat het waarschijnlijk niet is.

Duur beleid zonder vermindering van CO2

De afgelopen jaren hebben wetenscheppers geconcludeerd dat het oorspronkelijke idee – CO2-opname in goed beheerde bossen compenseert de CO2-uitstoot in de centrales – een al te eenvoudige voorstelling van de zaken was. In werkelijkheid hangt CO2-neutraliteit af van het soort gebruikte bos, hoe snel de bomen groeien, of je houtsnippers of de hele boom gebruikt en ga zo maar door.

Zoals een andere afdeling van de EU, het Europees Milieuagentschap, het verwoordde in 2011: de aanname dat “biomassaverbranding geheel CO2-neutraal is, is niet correct. Er wordt voorbij gegaan aan het feit dat de landbouwgrond waar dit hout voor brandstof wordt geproduceerd, niet kan worden gebruikt voor andere planten, die bijvoorbeeld CO2 zouden kunnen opnemen.”

Tim Searchinger van de Princeton Universiteit heeft berekend dat als hele bomen worden gebruikt voor de energieproductie, zoals soms gebruikelijk is, dan neemt de CO2-uitstoot ten opzichte van kolen (de vuilste brandstof) over een periode van twintig jaar met 79 procent toe en met 49 procent over veertig jaar. De CO2-uitstoot wordt pas minder na honderd jaar, wanneer de vervangende bomen groot zijn geworden. Maar zoals Tom Brooks van het Europese Klimaatfonds naar voren brengt: “We proberen nú de CO2-emissies te verlagen, niet pas over honderd jaar.”

Het komt er in het kort op neer dat de EU een subsidie heeft gecreëerd die heel veel geld kost, waarschijnlijk de uitstoot van CO2 niet verlaagt, de ontwikkeling van nieuwe energietechnologieën niet stimuleert en waarschijnlijk zal groeien als een Leylandii-haag.