Het vriest in Abertamy. Een dun laagje ijs bedekt de aangrenzende straten en er liggen hopen vuile sneeuw op het plein. In het midden staat het vervallen Uran-hotel dat meteen de aandacht trekt. Het mist enkele ramen en een paar bakstenen. Twee mannen met grijs haar lopen voorbij het gebouw. Zij zijn de representanten van een heel ander Abertamy, dat driemaal zoveel inwoners telde, met tientallen bakkers en winkeltjes en zorgvuldig onderhouden huizen.

Gerhard Krakl, 73 jaar, en Pavel Schreiber, 79 jaar, zijn hier opgegroeid en spreken met elkaar nog steeds het Duits van Abertamy, het dialect dat eeuwenlang door hun voorouders werd gebruikt. Nu het aantal mensen van hun generatie steeds kleiner wordt, verdwijnt niet alleen een plaatselijk dialect uit de straten van Abertamy; de hele cultuur van de Duitsers in het Ertsgebergte staat op het punt van uitsterven. Gedurende vijfhonderd jaar hebben zij hun stempel gedrukt op deze grensstreek. De meeste Sudeten zijn verdreven maar zij zijn daaraan ontsnapt. De resterende leden van deze gemeenschap vermengen zich nu echter definitief met de plaatselijke Tsjechische bevolking.

150.000 mensen ontkwamen aan deportatie

"Op een dag was ik samen met Gerhard aan het wandelen in Abertamy en we vroegen ons af wat er na onze dood nog van onze gemeenschap zou overblijven", herinnert Pavel Schreiber zich. Ze wilden niet dat hun enige erfenis zou bestaan uit Duits klinkende namen en keurig verzorgde graven op de begraafplaatsen. De beide oude vrienden vatten toen het idee op een handschoenenmuseum op te richten, waardoor ze in Abertamy konden blijven.

Op een bevolking van drie miljoen mensen wisten ongeveer 150.000 Tsjechische Duitsers aan de naoorlogse deportaties te ontkomen. De meesten waren als arbeiders onmisbaar. Zonder hen zouden de genationaliseerde fabrieken aan de grens failliet zijn gegaan. Onder hen waren ook boeren, die niet werden verdreven, omdat Duitsland, dat toen in puin lag, eenvoudigweg niet in staat was nog meer ontheemden op te nemen.

Helft van de leerlingen sprak geen Tsjechisch

Tot het eind van de jaren vijftig vond de interne correspondentie in de handschoenenfabriek in het Duits plaats. Zelfs in het begin van de jaren zestig sprak de helft van de leerlingen in de eerste klas van de lagere school geen Tsjechisch. Hun ouders konden hun deze taal niet leren omdat ze zelf het Tsjechisch niet beheersten. Thuis spraken ze Duits en op de een of andere manier slaagden ze er altijd in zich verstaanbaar te maken in de fabriek, bij overheidsinstanties en bij artsen. Voor het nieuws en de weersverwachting luisterden ze naar de Beierse radio. Tot het begin van de jaren negentig kwam het vaak voor dat verkopers Duits met hun klanten spraken. En ook vandaag nog wordt er af en toe "Grüss Gott" over de tuinhekken uitgewisseld.

De kerken en het katholieke geloof bleven eveneens toevluchtsoorden voor de Duitsers, waarin zij zich onderscheiden van de meeste Tsjechen die zich nieuw in dit gebied vestigden. Tot in de jaren zestig werd de mis massaal door Duitse gelovigen bezocht. Hun aantal is echter geleidelijk afgenomen.

De Duitsers van het Ertsgebergte leefden dus eigenlijk met hun hart niet volledig in Bohemen, maar ook niet in Duitsland. Maar anders dan je zou verwachten, kwamen velen niet in een totaal nieuwe situatie terecht. Zelfs voor de oorlog en in het Oostenrijks-Hongaarse rijk woonden de meesten in de bergen, zonder zich al te zeer te bekommeren om wat zich in het politieke centrum van de macht afspeelde. Slechts zelden verlieten ze hun geboortedorp. Dat deden ze alleen in noodgevallen. Het volkomen unieke karakter van de eigen dorpen bezongen ze in het merendeel van hun volksliederen.

“Vreemdeling in je eigen land”

We gaan terug naar 1948. Er wordt een muur van prikkeldraad aangelegd tussen het oosten en het westen. Het tijdperk van de verdrijvingen is voorbij. Het is duidelijk dat het gezin van Bertha Růžičková in Tsjecho-Slowakije zal blijven. Ze heeft de helft van haar buren zien vertrekken. Er is slechts een kleine minderheid van Duitsers overgebleven in Bohemen, dat voortaan etnisch homogeen is. "Ze zijn allemaal weggegaan en wij zijn hier alleen achtergebleven. We waren eraan gewend samen te leven en van het ene op het andere moment was het stil", zegt Bertha. Ze denkt terug aan de tijd dat ze opeens tot een nationale minderheid behoorde. "Het was verschrikkelijk om je in je eigen land een vreemdeling te voelen. Niets was nog langer van ons."

Maar de oude bewoners van het Ertsgebergte en de nieuwkomers, die uit het binnenland kwamen, bleven niet lang vreemdelingen voor elkaar. Ook de liefde oversteeg de etnische grenzen. "Mijn man sprak Tsjechisch en ik antwoordde hem in het Duits. We wisten niet precies wat de ander zei, maar we hadden geen woorden nodig om elkaar te begrijpen. Pas veel later heb ik Tsjechisch van hem geleerd", zegt Bertha Růžičková lachend.

Zwijgcultuur

De huidige generatie zeventigers, tachtigers en negentigers heeft zich dus langzamerhand aan de nieuwe maatschappij aangepast. Zij heeft dezelfde strategie ontwikkeld als destijds de meeste Tsjechen in het communistische tijdperk: ze trokken zich terug in hun eigen wereldje en probeerden niet te provoceren en hun lot te aanvaarden.

Alsof de laatste Sudeten-Duitsers zich een zwijgcultuur hebben eigen gemaakt, compleet anders dan de cultuur van nostalgie die hun verdreven tijdgenoten zo hartstochtelijk koesteren.

In de volkstelling van 2001 gaf een op de zeven inwoners van Abertamy aan de Duitse nationaliteit te bezitten. Dat verleende de gemeente in beginsel het recht om tweetalige opschriften te gebruiken. Tegenwoordig geldt dat niet meer. De Duitse bevolking is in tien jaar gedaald van tweehonderd naar zeventig inwoners.