Praag is het geografische en spirituele centrum van Europa. Bovendien vormt Praag het beste voorbeeld van een Europese stad die alles heeft overleefd: een compacte menselijke habitat, waar twee talen en twee geloven met elkaar streden om de macht, een centrum van handel en cultuur en een troon die nog altijd een koninklijk aspect draagt. Praag heeft zo zijn eigen geheimen – de zwarte magie en de betovering van de Golem en Elena Makropulos; de angstaanjagende orde zoals Franz Kafka die beschreef; de intieme overpeinzingen van Čapek’s ‘doodgewone man’.

Toch heeft Praag ook een roemrijke, open, triomfantelijke kant, namelijk van een stad die trots is zonder pompeus te zijn en die een sierraad is zonder vulgair te worden. Vijftig jaar lang werd de burgerzin in deze stad onderdrukt. Toen ik er voor het eerst was, kon je Praag nog nauwelijks een stad noemen, het leek meer op een decor voor een toneelstuk dat niet langer werd opgevoerd. Van de grote barokke paleizen vielen brokken stucwerk op de steigers die langs elke straat stonden, kerken werden gesloten of ontdaan van hun specifieke vieringen en de hele stad was in verval.

Schouwburgen, concertzalen, zelfs de nationale opera waren afgegleden naar middelmatigheid en aan de universiteit stagneerde alles, nadat de stroom aan Europese studiebeurzen was stopgezet. Veel schrijvers, kunstenaars en denkers met wie deze stad door toekomstige generaties wordt geassocieerd, zoals Kafka, Patočka, Kundera en Havel, waren uit de officiële geschiedenisboeken verwijderd.

De belichaming van een morele opvatting

Tegen de tijd dat de communisten de macht uit handen moesten geven, was Kafka al lang overleden, leefde Kundera in ballingschap en had de geheime politie Patočka de dood ingedreven. Voordat hij stierf, hield Patočka echter clandestiene voordrachten die voor mij een samenvatting vormden van de eeuwige betekenis van de stad. Deze lezingen werden door de ondergrondse organisatie Samizdat gebundeld en uitgegeven als Platón a Evropa. Plato en Europa bleek een poging om Plato’s oorspronkelijke visie op de stad, als een plek die "voor de ziel zou moeten zorgen", in stand te houden. In de ogen van Patočka was de stad het grootste geschenk dat de Grieken ooit aan Europa hadden gedaan.

Natuurlijk zijn er ook in andere landen wel steden ontstaan, zoals in India, China en het Midden-Oosten, en, onder invloed van Europa, ook in Afrika en Amerika. Maar alleen in Europa heeft de stad kunnen groeien volgens haar eigen innerlijke aard, om uit te groeien tot een gemeenschap die door wetten wordt geregeerd, waarin verschillende klassen, beroepen, geloofsovertuigingen en meningen naast elkaar kunnen floreren, in een gezamenlijke poging om wetenschappelijke kennis, esthetische smaak en spirituele verbetering na te jagen. Voor het bouwen van een stad zijn er dus twee belangrijke voorwaarden: een harmonieus gebruik van openbare ruimte en de nederigheid van alle gebouwen die daarop van invloed zijn.

Dat kun je zien in de oude straten, aan de kerken en de paleizen van Praag. Zelfs bij de schitterendste barokfaçade, zoals die van het paleis Clam-Gallas, zie je een voorliefde voor de straat, een poging om te blijven harmoniëren met de naburige gebouwen en een wens om de grens te benadrukken tussen openbare ruimte en privéruimte, terwijl voor beide vormen tegelijkertijd respect wordt getoond. De reden dat mensen die Praag bezoeken met ontzag naar deze parel van een stad kijken is dat dit, voor hun eigen ogen, de belichaming is van een morele opvatting.

Praag werd vervuild met groteske overbodige versieringen

Dat was in elk geval in de dagen van Dvořák, Neruda en Julius Zeyer zo. En dat was nog steeds zo in het oorspronkelijke Tsjechoslowakije, toen Janáček, de Čapeks, Nezval en Martinů over deze straten liepen. En zelfs nog in de dagen dat de stad op een bouwvallig decor leek dat de communisten hadden achtergelaten om verder te vergaan. Helaas is dat tegenwoordig niet meer zo. De stad werd niet beschermd, was na vijftig jaar tirannie kwetsbaar en onzeker geworden en kreeg nu ineens te maken met een invasie van rovers – mensen van elders, die de stad niet wisten te waarderen als thuis en vaste woonplaats, die geen flauw idee hadden van die morele opvatting die Patočka zo stemmig had beschreven, maar die schoonheid slechts als een commercieel idee en een toeristische attractie konden zien.

In een periode van 20 jaar hebben zij Praag vervuild met groteske ‘overbodige versieringen’ als het Pyramidehotel, de Walters torens, het anonieme TMGU-gebouw – structuren die de stad als gemeenschappelijke habitat verwoesten en die de openbare ruimte wegvagen die door zoveel mensen eeuwenlang werd gekoesterd. Uiteraard mogen we het effect niet louter toeschrijven aan het internationale kapitalisme en zijn anonieme verplichtingen. De communisten deden al hun uiterste best om het rustige aanzicht van de oude stad weg te vagen en een van hun grootste triomfen van 'verlelijking' zoals Kundera het noemt – de televisietoren bij Žižkov – werd geprezen als bezoeker uit de toekomst, het bewijs dat het "huidige, bestaande socialisme" "met zijn tijd mee zou kunnen gaan".

Er is geen grotere bedreiging voor het milieu, lijkt mij, dan de minachting waarvan architecten, projectontwikkelaars en stadsplanologen en de mensen die gebruik maken van hun diensten, blijk geven. Er is geen ergere vorm van vervuiling dan esthetische vervuiling, aangezien dat een daad van agressie tegen de mensheid is, een poging om openbare ruimte te privatiseren en om het meest kostbare en onvervangbare in de uitverkoop te doen. Ik ken veel mensen die het hier niet mee eens zijn. En misschien zou ik er zelf ook wel anders over denken als Praag er niet was geweest, Praag als stad, maar ook als morele opvatting, die tot mij kwam via de clandestien gedrukte lezingen van een oude professor, die werd vermoord om zijn overtuiging.

Dit artikel is de geschreven versie van een redevoering bij het Forum 2000, "De wereld waarin we willen leven" , die van 10 tot 12 oktober is gehouden in Praag.