Het moest het culturele hoogtepunt worden van een reeks ceremonieën ter viering van het vijftigjarig bestaan van het Élysée-verdrag tussen Duitsland en Frankrijk. De op 28 maart geopende tentoonstelling in het Louvre ´Over Duitsland, 1800-1939, van Friedrich tot Beckmann´, waarvan Angela Merkel en François Hollande beschermvrouw en beschermheer zijn, was bedoeld om het Franse publiek – eindelijk – te laten zien dat er wel degelijk Duitse schilders zijn, in tegenstelling tot een opvatting die in het Frankrijk tussen de beide wereldoorlogen wijd verbreid was en die nog altijd niet helemaal verdwenen is. Maar al snel barstten er in Duitsland felle discussies los over de expositie.

Waarom? Omdat deze Franse tentoonstelling, in het grootste museum van het land, zou aantonen dat het nationaalsocialisme een logisch uitvloeisel van de Duitse geschiedenis en cultuur was, en dat deze geschiedenis en cultuur wel móesten afglijden naar het nazisme. De strekking van dergelijke woorden is vreselijk: opnieuw wordt de kwestie van de Duitse ´lotsbestemming´ en de wortels van het nazisme aan de orde gesteld, zoals dat al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog gebeurt.

Politieke wending

Een bezoek aan ´Over Duitsland´ moest duidelijk maken dat er vurig naar gestreefd is een einde te maken aan de hardnekkige onbekendheid van het Franse publiek met de Duitse kunst – een soort affirmative action op kunstzinnig gebied die de anti-Duitse clichés en karikaturen die het Franse culturele leven al sinds 1870 vergallen, om zeep zou helpen. Een misvatting, als je afgaat op de eerste kritiek, die in het weekblad Die Zeit van 4 april verscheen.

Daar schrijft columnist Adam Soboczynski: "*Het is beslist geen toeval dat de tentoonstelling tot het breukjaar 1939 loopt. Aan de Duitse kunst is sinds Goethe de verschrikking af te zien. De nostalgische landschappen van Italië en Griekenland, de bezinning op de gotiek, het Duitse enthousiasme voor de middeleeuwen, het accent op het dagelijks leven, de negatieve kijk op de Duitse ´diepzinnigheid´: in de interpretatie die het Louvre biedt, zijn het niet meer dan fasen die tot de Duitse catastrofe leiden."

Dit argument wordt ook gebruikt door Rebecca Lamarche-Vadel, curator bij het Palais de Tokyo [museum voor moderne kunst in Parijs, red.], in een opiniestuk in Frankfurter Allgemeine Zeitung van 6 april: "Het is deze suggestie van een onvermijdelijke Duitse catastrofe, die al deze donkere en romantische werken lijken aan te kondigen, die de politieke onderlaag van deze tentoonstelling zo irritant maakt."

De strijd die hiermee op gang is gekomen, neemt een politieke wending. Opmerkelijk is dat de Duitse ambassadeur in Parijs, Suzanne Wasum-Rainer, het voor Frankrijk opneemt. "Als je het Louvre de intentie toeschrijft om – tegen de achtergrond van de Europese crisis – de ´Sonderweg´ te belichten die Duitsland tot het nationaalsocialistische uitroeiingsbeleid heeft gebracht, dan vergis je je in de wil, de eruditie en het engagement van alle betrokkenen bij dit project", legt zij aan Le Monde uit.

Drie handvaten om de Duitse kunst te begrijpen

Al even opmerkelijk is dat de directeur van het Louvre, Henri Loyrette, op 11 april een uitvoerige reactie richt aan Die Zeit. "Wij hebben voor deze lange periode gekozen [...], zodat wij het Franse publiek drie handvaten konden bieden om de Duitse kunst te interpreteren, zonder enige polemische bijbedoeling: de verhouding tot het verleden, de verhouding tot de natuur en de verhouding tot de mens. Deze keuze is onder andere bedoeld om iedere vorm van teleologische interpretatie uit te sluiten, waardoor mensen zouden kunnen denken dat er mogelijk sprake was van continuïteit van romantiek naar nazisme."

Een tweede punt van kritiek vanuit historisch oogpunt: waarom, vragen Die Zeit en Frankfurter Allgemeine Zeitung zich af, laat het Louvre niets zien van kunstenaarsstromingen als Der Blaue Reiter (Kandinsky, Klee, Marc, Macke, enz.), Dada en Bauhaus, behalve om deze avant-gardisten van de moderniteit, die zich in een vrij Duitsland hebben ontwikkeld, opzettelijk en met kwade bedoelingen onder het tapijt te vegen? Omdat, zo antwoordt het Louvre, het plan nooit was om een uitputtende geschiedschrijving te maken van de Duitse kunst over anderhalve eeuw. Dat was hoe dan ook om materiële redenen – vanwege de zeldzaamheid en het aantal geleende stukken, in combinatie met het lange tijdsbestek – onmogelijk geweest.

Pijnlijk is ook dat er een fragment te zien is van de film Olympia (1938) van Leni Riefenstahl. Zij was de favoriete filmregisseur van Hitler en maakte tevens Triumph des Willens (1934) ter ere van de Führer. De reactie van Henri Loyrette hierop luidt: "Dit korte fragment wordt bewust vertoond tegenover een fragment van de documentaire *Menschen am Sonntag van Curt Siodmak naar een script van Billy Wilder, die in 1929 en 1930 in Berlijn gedraaid is. Afgezet tegen de levenloze standbeelden van Leni Riefensthal komt de levensvreugde van gewone mannen en vrouwen in het Berlijn van eind jaren 1920 in dit fragment veel sterker uit.*"

Hel van de vogels

Meer in het algemeen is het natuurlijk het laatste deel van de expositie, over de periode van de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog, dat de meeste weerstand oproept. Het verwijt klinkt dat de tentoonstelling eindigt met Hölle der Vögel [Hel van de vogels, red.], een symbolische satire op het nazisme van Max Beckmann, een Duitse schilder die in ballingschap leefde omdat hij doorging voor ´ontaard´, zoals dat in 1937 heette.

Danièle Cohn, een van de wetenschappelijke commissarissen van de expositie, geeft tekst en uitleg: "Het is een schilderij waarop je als Duitser en als mens alleen maar trots kunt zijn – met een terechte trots die je in staat stelt om kracht te putten uit tegenspoed, zonder dat de daarvoor benodigde moed ook maar iets opschepperigs heeft. Integendeel, de moed die tot deze trots inspireert, is op zijn beurt juist inspirerend." En daarmee is het misverstand tussen de bedoelingen van de tentoonstelling en de bezwaren die ertegen worden ingebracht, compleet.

Maar gaat het eigenlijk nog wel om kunstgeschiedenis en esthetiek? Dat valt te betwijfelen, als je sommige artikelen leest. "Heeft het te maken met de crisis? Met een Franse behoefte om zich te doen gelden? Met een demonstratie van nationale macht die wordt opgeroepen door de economische zwakte?" vraagt Adam Soboczyski zich af. Maar de werkelijkheid is nog veel erger, meent Die Zeit. Onder de kop "Cultuur en natie: Duitsland, de gehate macht" heeft het weekblad op 11 april de sleutel van het complot gevonden in een pamflet van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben dat op 24 maart in Libération was verschenen.

De gewapende arm van mediterraan Europa

"Laat het Latijnse Rijk in de tegenaanval gaan", had Libération namelijk gekopt, terwijl dat niet de bedoeling was van Agamben, die weliswaar pleit voor erkenning van de sociale en culturele bijzonderheden van iedere lidstaat van de Europese Unie – en meer in het bijzonder van die van de zuidelijke lidstaten. Door te suggereren dat het nazisme diep geworteld is in de Duitse cultuur, zou het Louvre dus de gewapende arm zijn van een mediterraan Europa dat strijdt tegen het Duitse bevel dat Angela Merkel belichaamt.

Is dat allemaal niet wat overdreven? Op 14 april verdedigt Tagesspiegel de tentoonstelling in zijn hoofdartikel op de voorpagina. De Duitse krant vindt dat "de verkeerde beoordeling minder zegt over Frankrijk dan over de onzekerheid waarin het Duitse intellectuele leven verkeert". De culturele verslaggever van Tagesspiegel, Bernhardt Schulz, schreef een artikel met de titel "Germanofilie of Germanofobie". Zo vindt hij dat het grandioze industriële panorama Eisenwalzwerk [ijzersmelterij, red.], dat in 1875 is geschilderd door Adolph Menzel, "een ander, nuchter en in de moderne tijd verankerd Duitsland oproept dat er toch ook geweest is, naast het terugverlangen naar de geschiedenis, het smachten naar de natuur en de onheilsprofetieën, die het beeld van de Duitse cultuur niet vervalsen, maar nuanceren. Maar blijkbaar mag niemand ´van buitenaf´ ons dat vertellen. Wanhopen aan het Duitse wezen doen wij het liefst stilletjes in ons eentje, als u het niet erg vindt." In ieder geval niet in het Louvre en niet in Frankrijk.