Het proces, dat [op 6 mei, red.] in München van start is gegaan, is geen NSU-proces. Net zomin als het proces tegen de oorlogsmisdadigers in Neurenberg van 1945/'46 en het Auschwitz-proces van 1963/'65 NS-processen waren (tegen de nazi's in het algemeen), en het Stammheim-proces van 1975/'77 een RAF-proces was. In al deze gevallen ging en gaat het om rechtszaken tegen individuele nationaalsocialistische, links- en rechts-terroristische beklaagden.

In München staan Beate Zschäpe en anderen terecht, niets meer en niets minder. Een gerechtshof kan en moet individuele schuld vaststellen en de daders bestraffen – maar over een historische periode, een ideologie of de worteling daarvan in de bevolking kan en mag het niet oordelen. Dat kan voor velen een teleurstelling zijn. Want degenen die in zulke processen voor het gerecht staan, zijn meestal treurige, verwarde en verstokte figuren – niet groot en monsterachtig, maar juist heel klein. Als je ze in de ogen kijkt, herken je het kwaad en de oorzaken daarvan niet.

Opnieuw is het kwaad banaal

Daarom heeft de aandacht, die het proces in München al lang voordat het was begonnen, heeft gekregen, iets overdrevens; het is al doortrokken van nutteloosheid. Het zal niet kunnen vaststellen waar een deel van de publieke opinie naar hunkert. En het maakt van de hoofdbeklaagde onvermijdelijk een interessante, raadselachtige persoonlijkheid, die zij – na alles, wat wij ondanks haar zwijgen van haar weten – niet is. Opnieuw is het kwaad banaal en weigeren we dat te aanvaarden.

Zo dreigt het eigenlijke schandaal uit het gezichtsveld van de vorsende publieke opinie te verdwijnen. Het bestaat eruit dat de moorden van de NSU jarenlang niet zijn begrepen en opgelost, hoewel de samenhang, zoals achteraf moeiteloos kan worden vastgesteld, nogal voor de hand lag.

Hier waren, in ieder geval tussen 2000 en 2006, daders in Duitsland actief, die stelselmatig mensen vermoordden, klaarblijkelijk louter vanwege het feit dat zij van oorsprong buitenlanders of voormalige buitenlanders waren. Het racisme dat aan de moorden ten grondslag lag, is vandaag de dag juist heel opvallend. Het had, zo weten we nu, na de tweede of hoogstens de derde moord duidelijk moeten zijn waar gezocht moest worden: in het rechtsextremistische milieu.

Het moesten wel criminelen zijn geweest

In plaats daarvan hebben de onderzoekende autoriteiten en diensten lange tijd hardnekkig aan een ander spoor vastgehouden. Ze zagen wel verbanden tussen de negen moorden, maar discrimineerden de slachtoffers van te voren en zonder de geringste aanwijzingen, en stelde hen in een kwaad daglicht. Als zij allemaal buitenlanders of van buitenlandse herkomst waren, zo luidde het vermoeden, dan moesten het wel criminelen zijn geweest. Dat was – nogmaals: achteraf gezien makkelijk te begrijpen – een daad van bijna krankzinnige externalisering.

De slachtoffers werden van het gezonde, niet in criminele machinaties verstrikte Duitse volkslichaam buitengesloten. Het feit dat zeven van de negen vermoordde mensen als ondernemers actief waren, werd niet als een succes gezien van migranten die de moed hadden om zich zelfstandig te redden, maar louter als een signaal dat het hier niet om kosjere zaken kon gaan en dat de vermoordde ondernemers vermoedelijk slachtoffers waren van onderlinge conflicten in het Turkse milieu. De namen, die voor deze moorden werden gebruikt – de “Döner-moorden”, “Soko Bosporus” – spreken in al hun denigrerende, collectivistische duidingsdrang voor zich.

Ontkenning van de werkelijkheid

Met deze verschrikkelijke ontkenning van de werkelijkheid, met deze onderzoeksfouten, met de zonderlinge verdwijning van documenten en in het bijzonder met het falen van de Thüringse binnenlandse veiligheidsdienst was de ellende nog steeds niet ten einde. De voorzittende rechter in München heeft het zijne ertoe bijgedragen ook de Duitse justitie te blameren. Hij negeerde de suggestie van het Bundesverfassungsgericht (het Constitutionele Hof van de gehele Bondsrepubliek) om drie extra plaatsen voor Turkse journalisten te creëren.

Met de loterijklucht, die journalisten met ervaring in het volgen van dit soort processen moest marginaliseren, heeft hij nog een keer duidelijk gemaakt het belang van dit proces niet begrepen te hebben.

Met blindheid geslagen

Er is geen ander land ter wereld dat met het misdadige eigen verleden zó consequent en duurzaam heeft afgerekend als Duitsland. Dat dit is gelukt, is te danken aan onvermoeibare ambtenaren, zoals de vroegere Hessische procureur-generaal Fritz Bauer, een geremigreerde Jood, zonder wie het Auschwitzproces in Frankfurt er niet was gekomen. En het is de verdienste van een levendige publieke opinie, die – ook al is het aan de late kant – van het nationaalsocialisme een verleden heeft gemaakt, dat niet vergeten kan en mag worden. Dat is goed en siert het land.

Maar al dit zelf-kritische geschiedbewustzijn heeft niet kunnen verhinderen, dat justitie en media in evengrote mate jarenlang met blindheid geslagen zijn geweest en niet hebben gezien in welke richting deze moorden wezen. Het is moeilijk uit de geschiedenis lessen te trekken voor het heden.