EU-lidmaatschap Groot-Brittannië: Lot Cameron aan een zijden draadje

13 Mei 2013 – The Sunday Telegraph (Londen)

Premier David Cameron dacht dat zijn belofte om een referendum over het Britse EU-lidmaatschap te houden, de onenigheid binnen zijn partij zou sussen. Nu wordt hij geconfronteerd met een opstandige achterban die een vertrek uit de EU voorstaat en is hij bovendien het vertrouwen van de bevolking kwijt.

Politieke absurditeit is vaak een uiting van diepgewortelde complexiteit, vooral in het geval van een coalitie. Aangezien het ontbreken van een verklaring over een EU-referendum in de toespraak van de koningin wordt betreurd, zal er deze week waarschijnlijk een amendement worden ingediend dat tot een eigenaardig resultaat zou kunnen leiden.

Zoals de zaken er nu voorstaan, zullen conservatieve parlementsleden vrij mogen stemmen over de motie die door twee van hen, John Baron en Peter Bone, is ingediend. Hun regeringsleden zullen zich van stemming onthouden. Een aantal Lib Dem-ministers zullen de zaken mogelijk nog ingewikkelder maken door, ingegeven door hun pro-EU-overtuigingen, tegen te stemmen.

De muis en het gegil

De reactie van de premier hierop kwam in Confuciaanse stijl: “Als je een muis in een kamer ziet, kan je zeggen ‘daar zit een muis’ of je springt gillend op een stoel.” Naar we mogen aannemen, is de muis uit dit kungfuraadsel het EU-referendum, of misschien het amendement zelf, en is het gegil de ophef die de politiek en media maken.

De afkeer van paniek die de premier heeft, is hem in de afgelopen jaren ongetwijfeld goed van pas gekomen, vooral in het geestdodende labyrint van een tweepartijenregering. De Cameron-kant mag met recht klagen dat sommigen uit hun partij zich gedragen alsof de conservatieven geen coalitie vormden, of dat de Lib Dems veilig genegeerd kunnen worden.

Maar wat Cameron zorgen zou moeten baren is het steeds terugkerende gebrek aan vertrouwen tussen hemzelf en een omvangrijke kern conservatieve parlementsleden. Wanneer zij vragen een wetsvoorstel voor een referendum op te stellen, zeggen ze in feite: we horen alles wat je zegt over Clegg en de Lib Dems en over wat je wel en niet kunt doen maar toch – sorry vriend – willen we dat op schrift hebben staan.

Enorme gedoe over vertrouwen

In deze context beschouwd, is het opmerkelijk dat de premiers toespraak over de relatie van Groot-Brittannië met de EU in januari – waarin hij het eerste referendum over het Britse lidmaatschap sinds 1975 beloofde – zo weinig invloed had op het debat dat de toespraak verondersteld werd te sussen, of op de opkomst van de Britse Onafhankelijkheidspartij. Of, zoals een loyalistisch regeringslid het verwoordde: “Het probleem is dat de mensen ons niet vertrouwen.”

Wat [Tony Blairs media-adviseur] Alastair Campbell eens “dit enorme gedoe over vertrouwen” noemde, is bij dit alles, op ieder niveau, de bindende factor. De perceptie dat Cameron zijn eigen “keiharde belofte” brak om een referendum te organiseren over het Verdrag van Lissabon raakte verward met de lelijke nalatenschap van onkosten van parlementsleden, Irak, gedraai, gekonkel en nog veel meer andere zaken die de aandacht opeisten.

We leven in een tijdperk van institutionele kwetsbaarheid: het parlement, de pers, de financiële sector, en de BBC zijn allemaal getraumatiseerd door schandalen en bedrog. En nooit eerder werden politici onderworpen aan een dergelijke meedogenloze kritische blik als nu het geval is: de hulpmiddelen van de digitale revolutie leiden tot het paradoxale effect dat ze degenen die regeren dwingen tot oprechtheid, terwijl ze het vertrouwen van degenen die geregeerd worden, laten afnemen.

Gebaat bij ruwe, amateuristische eerlijkheid

Tegen deze achtergrond lijken de zelfvoldane elites uit de late 20e en vroege 21e eeuw al gedateerd. Degenen die naar Boris Johnson of Nigel Farage wijzen en zeggen dat ze er niet uitzien als leiders, proberen alleen hun eigen geloofwaardigheid en aantrekkelijkheid voor kiezers op te krikken. De populariteit van de burgemeester van Londen en de Ukip-leider is juist uitstekend gebaat bij hun ruwe, amateuristische eerlijkheid. Zij lijken wél echte mensen, die niet werden uitgebroed in een laboratorium, en die zeggen wat ze op hun hart hebben in plaats van bepaalde standpunten na te praten.

In werkelijkheid zijn beide mannen natuurlijk politici pur sang. Boris is al voor een tweede ambtstermijn burgemeester van een wereldstad waar vorig jaar de Olympische Spelen werden gehouden, terwijl Farage het brein is achter een behendige guerrillaverkiezingsstrategie die de indruk werkt dat hij de benodigde talenten heeft om niet alleen stemmen weg te halen bij het conservatieve electoraat. Maar ze begrijpen dat een diep wantrouwig electoraat meer waarde hecht aan ‘authenticiteit’ dan aan wat dan ook.

Tegelijk met een historisch gebrek aan vertrouwen, heeft Cameron te maken met een niet minder dramatische verschuiving in de grondbeginselen en het lot van de EU. Zoals wijlen Hugo Young betoogde in zijn gezaghebbende verslag over de relatie van Groot-Brittannië met Europa, ‘This Blessed Plot’, stonden Eurosceptici altijd open voor een aanval op het ‘gebrek aan realisme’. In 1998 noteerde Young: “De wereld die zij verdedigden bleek uiteindelijk nostalgisch en bekrompen: overspoeld met demonen, gekweld door existentiële verwarring.”

Minachtend over het conservatieve leiderschap

Maar 15 jaar later zien de wereld en het uiterlijk van de EU er heel anders uit. Het Europese vasteland wordt gekweld door de eurocrisis, en het is niet langer zo gemakkelijk om te beweren dat Groot-Brittannië economische schade zou oplopen als het uit de EU zou stappen. Of zoals Lord Lawson vorige week in zijn artikel in The Times over een Brits vertrek schreef: “De kern van de zaak is dat de relevante economische context tegenwoordig niet Europa is maar globalisering, inclusief wereldwijde vrije handel, met de Wereldhandelsorganisatie als toezichthouder.”

Lawson staat dicht bij George Osborne, en zijn artikel reflecteert standpunten die hij, naar we gevoeglijk kunnen aannemen, al besproken heeft met oudgediende conservatieven uit de coalitie. Michael Portillo’s stuk in dezelfde krant was bozer van toon, zelfs openlijk vijandig richting Camerons positie en, in Zuid-Europese stijl, minachtend over het conservatieve leiderschap van tegenwoordig.

Wereldwijde race

Op zulke momenten wordt men eraan herinnerd dat Portillo niet alleen de grondlegger voor de modernisering van de conservatieven was, maar ook een trouwe aanhanger van de ‘Iron Lady’ [voormalig premier Margaret Thatcher, red.]. Door te beweren dat er een “fundamentele wanverhouding” bestaat tussen de Britse ambities en die van de EU, die niet kan worden “verholpen met een paar nieuwe onderhandelingen”, sprak hij, vermoed ik, voor de meerderheid van de conservatieve parlementsleden en een toenemend percentage van de bevolking. Camerons beste zin is dat Groot-Brittannië deelneemt aan een “wereldwijde race”. En het wordt ieder maand moeilijker vol te houden dat het Britse EU-lidmaatschap een steun in plaats van een obstakel vormt voor de Britse prestaties in die wedstrijd.

Hoewel dat niet breed erkend wordt, siert het deze premier dat hij het publiek een referendum over het Britse lidmaatschap heeft aangeboden. Maar deze belofte van een nieuwe start, een fris begin dat het waard is om op te wachten voordat er een besluit wordt genomen, kon niet op veel enthousiasme rekenen. Het amendement van deze week is maar een van de vele ingrepen, manoeuvres en stunts die hem te wachten staan, en waarmee hij gedwongen wordt dieper en sneller na te denken over de centrale vraag over de identiteit van de natie.

Vertaald uit het Engels door Ingeborg Gonizzi

Factual or translation error? Tell us.