Manchester United, FC Barcelona, Real Madrid, Bayern München, Borussia Dortmund: allemaal clubs met torenhoge inkomsten, die het zich kunnen permitteren om hun spelers een jaarsalaris van miljoenen euro´s te betalen. De transferbedragen lopen soms in de tientallen miljoenen euro´s, waardoor de ´troeven´ zich binnen een handjevol clubs concentreren.

Om die reden is de Champions League, een competitie van rijke clubs, opgezet. Overeenkomstig de economische theorie van accumulatie, toenemende rendementen en ongelijkheid in informatie en positie, is er een kloof ontstaan tussen een paar Europese clubs en de overige, die met de dag alleen maar groter wordt.

Uitholling van de middenklasse

De Europa League is de tweede Europese liga, waaraan minder rijke – en soms zelfs een paar Roemeense – clubs deelnemen. Tegelijkertijd zakken steeds meer clubs steeds dieper weg in de schulden.

Ik gebruik deze voorbeelden – die ontleend zijn aan het economische model van de sportwereld – om bepaalde fenomenen te illustreren die zich de laatste tijd vaak voordoen: uitholling van de middenklasse, toenemende ongelijkheid tussen inkomens en vooral de bevoorrechte status van de financiële sector.

Dit is te verklaren door de sterk oprukkende globalisering (die economische bedrijvigheid in landen met goedkope arbeidskrachten bevordert) en de snelle ontwikkeling van de nieuwe informatietechnologieën, maar ook door het overheidsbeleid, zoals de deregulering van de financiële markten. Hierbij is het vermogen van mensen om zich aan te passen aan de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt overschat, terwijl de rol van de industrie als steunpilaar van de technologische ontwikkeling is onderschat.

Simplistische tweedeling

Door de huidige ingrijpende crisis klinkt niet alleen de roep om adequate regelgeving voor en toezicht op de financiële markten weer luider. Men ervaart ook de noodzaak om iets te doen aan een economie die te veel vertrouwt op de onfeilbaarheid van de markten en voorbijgaat aan rechtvaardigheid en sociale aspecten.

Tegen de achtergrond van de crisis in de Verenigde Staten en Europa vindt een verhit publiek debat plaats over de rol van de staat in de economie, waarbij de verschillende partijen vasthouden aan hun traditionele standpunten. Rechts wil minder staatsbemoeienis en minder overheidsuitgaven (in combinatie met belastingverlaging), terwijl links hamert op de noodzaak van publieke goederen en rechtvaardigheid. Een tweedeling die vaak simplistisch is.

Winner takes it all

In Europa hebben de Scandinavische landen betrekkelijk lage staatsschulden en begrotingstekorten, maar hoge overheidsuitgaven. Tegelijkertijd zijn fenomenen als corruptie en ‘rent seeking behavior’ er tamelijk zeldzaam, terwijl deze landen ook uitblinken – en dat is geen toeval – door hun institutionele kracht.

Een van de gevolgen van deze situatie is dat het "The winner takes it all"-syndroom hier minder vaak voorkomt. Voorstanders van het opheffen van de verzorgingsstaat begrijpen niet dat de moderne staat onlosmakelijk verbonden is met de sociale dimensie ervan, en dat wij niet kunnen terugkeren naar het kapitalisme van de negentiende eeuw om de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw het hoofd te bieden.

Braaf belasting betalen

In een toespraak tot het Europees Parlement, waarin hij pleitte voor een bankenunie en een federatie van staten (als noodzakelijke fasen om de eurozone te redden), stipte commissievoorzitter José Manuel Barroso deze ervaring ten gunste van het Europese model aan. Maar het is ook waar dat de ontwikkelde landen hun systemen voor sociale bijstand moeten hervormen, hun openbare diensten moeten afstemmen op de beschikbare financiële middelen en beter gedrag op het gebied van openbaar bestuur moeten bevorderen.

Hoe kun je een oordeel uitspreken over een samenleving waarin de meeste burgers met een klein of middeninkomen braaf hun belasting betalen, terwijl mensen met een hoog inkomen allerlei mazen in de wet gebruiken om hieraan te ontkomen? De grote uitdaging waarvoor de Europese Unie staat, is om elementen van het institutionele netwerk die de sociale samenhang en het sociale kapitaal beschermen, succesvol te combineren met maatregelen die ondernemerschap stimuleren en de industrie en het onderwijs een impuls geven. Op het raakvlak van deze wensenlijstjes stuiten we op aspecten die verband houden met ethiek, gelijke kansen van de burgers en solidariteit.

Nieuwe industriële revolutie

In de Verenigde Staten heeft de strijd tegen het terrorisme bepaalde dubieuze – zo niet illegale – praktijken van banken en vermogende burgers aan het licht gebracht. Dit grote ethische probleem kan echter niet simpelweg worden opgelost door belastingontduikers aan te wijzen. Er wordt nu gesproken over een nieuwe industriële revolutie. Maar zou die de productiviteit in Europa weer omhoog kunnen stuwen? Het probleem is dat een dergelijke revolutie – als die zou plaatsvinden – niet langer enkel het voorrecht van het geïndustrialiseerde Westen zou kunnen zijn.

“The Winner takes it all", als eenzijdige beschouwing van de werkelijkheid, staat haaks op het functioneren van moderne economieën, aangezien herverdeling (belastingoverdracht) de sociale samenhang ten goede komt, gelijke kansen creëert en helpt om bepaalde regionale verschillen te verminderen. Er valt hoop te putten uit het feit dat het bijbrengen van individueel verantwoordelijkheidsbesef en een bescheidenere levensstijl niet botsen met concepten als solidariteit, gelijke kansen, rechtvaardigheid en ‘fair play’.