Sommige crises fungeren als echte handboeken voor onderzoekers op het gebied van diplomatie en internationale betrekkingen. Syrië is daar een voorbeeld van. Vooral op dit moment, nu alleen nog maar wordt gesproken over de komende internationale vredesconferentie, die eerder geschikt is voor de klassieke diplomatie van de negentiende en begin twintigste eeuw dan voor de huidige periode.

Volgens het welbekende gezegde “als je de vrede wilt, moet je je op oorlog voorbereiden”, worden overal de wapens opgepoetst, aan de vooravond van een hypothetische “rondetafelconferentie” waaraan alle partijen moeten deelnemen, om besluiten te nemen over de toekomst.

De Europese Unie heeft besloten het embargo niet te verlengen op wapenleveranties aan Syrië (dat wil zeggen, aan de opstandelingen). Groot-Brittannië en Frankrijk waren de enigen die actief hebben gelobbyd voor het intrekken van het embargo, terwijl de andere lidstaten van de Unie op allerlei manieren uiting hebben gegeven aan hun twijfels over het nut van een reële betrokkenheid bij de burgeroorlog. Toch hebben Londen en Parijs hun zin gekregen, maar wel tegen de prijs van de zoveelste demonstratie dat er op het internationale toneel geen sprake is van het bestaan van een Europese Unie.

Landen doen alsof ze grootmachten zijn

Het onvermogen om overeenstemming te bereiken, omdat de belangen zo ver uiteenlopen, is overduidelijk. Daarbij gaat het niet zozeer om strategische overwegingen, maar om de simpele wil om zich over een probleem te buigen. Net als vroeger doen Groot-Brittannië en Frankrijk net alsof ze grootmachten zijn, omdat ze denken dat ze zich moeten bemoeien met gebeurtenissen van mondiaal gewicht. De andere Europese landen zijn ofwel onverschillig, of vrezen betrokken te raken bij ontwikkelingen die hen voor een groot deel helemaal niets aangaan.

Voor de rest schuilt er in het hulpaanbod aan de opstandelingen een politiek motief. Wapens sturen of niet, die vraag blijft open. Maar het feit dat de vraag nu openlijk wordt uitgesproken betekent dat het gebruik van militaire macht een reële optie blijft. Met andere woorden: als er na Genève-2 geen akkoord komt, zal er worden gevochten tot de overwinning is behaald. De voornaamste pleitbezorger van het intrekken van het embargo op wapenleveranties aan de opstandelingen, de Britse minister van Buitenlandse Zaken William Hague, heeft het zo gezegd: er moet druk worden uitgeoefend op het regime van de Syrische president Assad.

Ervaringen in Libië

Het is dezelfde logica die Rusland ertoe heeft aangezet noch te bevestigen noch te ontkennen dat er aan Damascus luchtafweerraketten en andere geavanceerde wapensystemen worden geleverd. Maar dít wordt wel openlijk gezegd: het machtsevenwicht moet behouden blijven. Het is dus waanzin om te hopen dat deze kwestie, als de politieke onderhandelingen op een mislukking uitlopen, met militaire middelen kan worden opgelost.

In beginsel is een dergelijke tactiek niet ontbloot van iedere logica: de partijen, waarvan men wil dat zij zich rond de onderhandelingstafel scharen, moeten het zwaard van Damocles boven hun hoofd voelen hangen. De publieke uitspraken in Washington over de mogelijkheid om boven Syrië 'no fly'-zones in te richten, vloeien voort uit hetzelfde gedachtengoed. Wat een 'no fly'-zone is en waar een dergelijke beslissing op uitloopt, weten we dankzij de ervaringen in Libië. Dat is precies de reden waarom Rusland hiertegen protesteert en heeft beloofd luchtafweerraketten te leveren aan het Syrische regime (misschien is dat zelfs al gebeurd), waardoor een hypothetische operatie overbodig wordt gemaakt. De Verenigde Staten zullen vluchten boven Syrië waarschijnlijk niet verbieden, maar willen de lat hoog leggen om de partijen tot meer toeschietelijkheid te bewegen.

Een pijnlijke ideologische concessie

Niettemin zou het effect wel eens het tegenovergestelde kunnen zijn. Op dit moment lijkt het erop dat de tegenover elkaar staande partijen uit de diverse diplomatieke spelletjes dezelfde conclusie trekken: wat er ook gebeurt, zij zullen niet in de steek worden gelaten of verzwakt. Daarom houden zij voet bij stuk. Bashar al-Assad en zijn tegenstanders begrijpen dat hun respectievelijke beschermers, Rusland en het Westen, hun steun niet kunnen intrekken zonder gezichtsverlies te lijden.

Inderdaad gaat het zowel voor Moskou als voor Washington om een principekwestie in Syrië. Rusland verdedigt de bestuurders van wereldlijke landen (hoe autoritair ze ook mogen zijn), evenals het beginsel van non-interventie in de binnenlandse aangelegenheden van een ander land. Het wil het onaangename Libische precedent het liefst zo snel mogelijk vergeten, ook al heeft het er zelf aan bijgedragen [Medvedev was nog president toen Rusland zich tegen iedere verwachting in van stemming onthield bij de besluitvorming in de Veiligheidsraad van de VN over de instelling van een no fly-zone]. Aan westerse kant wordt men heen en weer geslingerd tussen ideologische voorstellingen over een “volk in opstand” en een “bloeddorstige tiran”, en de wens om het conflictbeheersingsmodel overeind te houden dat zich na de Koude Oorlog stukje bij beetje heeft ontwikkeld: het kiezen voor de “goede kant” en het helpen daarvan om aan de macht te komen. Daarom is de weigering om de “onzen” te steunen niet eenvoudigweg een pragmatische manier om de achterhoede in het gareel te houden, maar een pijnlijke ideologische concessie.

Scenario van geweldsescalatie

De vredesconferenties uit het verleden, tot en met die van Jalta en Potsdam, hebben geleid tot de verdeling van de wereld tussen west en oost, en tussen kapitalisme en communisme. De recentere conferenties hadden allemaal te maken met de Balkan. Het gaat om de akkoorden van Dayton over Bosnië, in 1995, en om de crisis in Kosovo in 1999. Het is best nuttig om bij deze twee ervaringen te rade te gaan, omdat ze voor het geval van Syrië twee mogelijke scenario's bieden. Dat van Dayton is positief. De Verenigde Staten en de Europese Unie, met de medewerking van een destijds verzwakt Rusland, hebben de oorlogvoerende partijen bijeengebracht en hen gedwongen een organisatiemodel te bouwen voor de toekomst van Bosnië-Herzegowina. Het is een voorbeeld voor de optimisten die geloven in de mogelijkheid van succes voor “Genève-2”.

De pessimisten zullen zich daarentegen het begin van februari 1999 herinneren, toen dankzij enorme diplomatieke inspanningen de conferentie van Rambouillet plaatsvond om het conflict in Kosovo te beslechten. Maar er werd geen enkel resultaat geboekt: de wederzijdse verbittering vertaalde zich in extreme spanningen. Het Kosovaarse Bevrijdingsleger richtte zich dankzij de steun van de NAVO op zijn militaire overwinning, terwijl de Servische regering in Belgrado zich geen machtsdeling kon voorstellen met de “terroristen”. Toch werd de conferentie beëindigd zonder dat het tot een duidelijke breuk kwam. Vervolgens namen de bemiddelaars (vooral de lidstaten van de NAVO) echter een steviger standpunt in. Belgrado kreeg een ultimatum voorgeschoteld, en zijn weigering om daaraan gevolg te geven leidde tot de lancering van een militaire campagne van het bondgenootschap, anderhalve maand na het begin van de vredesbesprekingen in Frankrijk. Het gaat er hier niet om een parallel met Syrië te schetsen, maar het scenario van een snelle geweldsescalatie mag niet worden uitgesloten als er geen enkele vooruitgang wordt geboekt (en vooruitgang ligt momenteel niet voor de hand).

Belangen zijn onbegrijpelijk

Vandaag de dag speelt Rusland uiteraard een heel andere rol. In 1999 had Moskou eveneens krachtig geprotesteerd, maar zonder zich echt te verzetten. Onlangs heeft het Kremlin echter laten weten deel uit te maken van het machtsevenwicht en geen enkele campagne tegen zijn protégé te zullen tolereren.

Er is een cruciaal verschil tussen de situatie in Syrië en alles wat daaraan vooraf is gegaan. Bij het organiseren van vredesconferenties en het zich mengen in plaatselijke conflicten, hebben de grootmachten altijd concrete belangen nagestreefd, waarbij ze een duidelijk beeld van hun eigen voordeel voor ogen hadden. De West-Europese staten, met de actieve ondersteuning van de Verenigde Staten, hebben het Europese strategische landschap overeenkomstig hun voorstellingen van het tijdperk van ná de Koude Oorlog veranderd. En het Joegoslavië van Milosevic was duidelijk een obstakel voor die verandering.

Behalve de statutaire vraagstukken, die op een hoger niveau worden afgehandeld, zijn de directe belangen van de Verenigde Staten, Europa en Rusland onbegrijpelijk.

Een vrijwel onoplosbaar probleem

De uitbreiding van de invloedssfeer in het huidige Nabije Oosten is een vrijwel utopische gedachte. Alle externe machten doen hun uiterste best om op een adequate manier te reageren, maar zijn altijd te laat. Zij passen zich aan de gebeurtenissen aan zonder de macht te hebben hun wil op te leggen en hun wensen af te dwingen. Er wordt zelfs niet over strategie gepraat. Het is opmerkelijk dat de landen die wél belangen in het gebied hebben, zoals de buurlanden Iran, Saoedi-Arabië en Qatar, zich op de conferentie van Genève niet mogen uitspreken. En toch hangt het uiteindelijk ook van hen af of de vijanden met elkaar in gesprek zullen gaan.

Vroeger was het spel van de grootmachten onlosmakelijk verbonden met de kleine intriges van lokale actoren, die echter wel altijd de tweede viool bleven spelen. Tegenwoordig is het anders. De ‘lokale’ ontwikkelingen volgen hun eigen logica en de deelname van de ‘grootmachten’' vindt op een parallel niveau plaats. Deze twee elementen wisselen elkaar qua belang voortdurend af. Voor toekomstige historici is wat er tegenwoordig gebeurt een schier onuitputtelijke bron van informatie, terwijl het voor diplomaten een vrijwel onoplosbaar probleem is.