De G20-top die op 11 en 12 november in Seoel georganiseerd is, vindt plaats terwijl de internationale coördinatie midden in een turbulente fase zit. Door de vertraging van de Amerikaanse economie en het besluit een agressief monetair beleid te gaan voeren, lijkt het erop dat Washington de kosten van het wereldwijde evenwichtsherstel op een ander probeert af te wentelen. Vooral de snel verslechterende verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa baart de nodige zorgen.

Meteen na Seoel ontmoeten de Verenigde Staten en Europa elkaar in Lissabon voor een topontmoeting. Gelukkig staat dit gepland vóór en niet na de G20. Het gaat tenslotte om een top die te belangrijk is om op de tweede plaats te komen. De verslechtering van de verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa is dramatisch als je de situatie vergelijkt met de situatie in de twaalf maanden die volgden op de Lehmann Brothers-crisis. Toen bevonden we ons in een soort "gouden eeuw" van wereldleiderschap, waarvan zowel door de Verenigde Staten als Europa werd erkend dat een stevige aanpak noodzakelijk was.

Nieuwe globale omstandigheden

De samenwerking vond zijn weerslag in de ontwikkeling van mondiale instellingen voor economisch beleid. Dat ging zo goed dat ten tijde van de G20 in april 2009 in Londen, op het dieptepunt van de economische crisis, het erop leek dat er een solide basis was gelegd voor verdere discussie over het hele samenwerkingskader, inclusief voor de meningsverschillen over de noodzaak van fiscale stimulering.

De eendracht tussen de Verenigde Staten en Europa begon eind 2009, begin 2010 scheuren te vertonen. Tijdens de G20 van Toronto bleken de standpunten stevig uiteen te lopen: de Europeanen wilden stoppen met hun herstelbeleid omdat zij ervan overtuigd waren dat extra tekorten en een nieuwe injectie aan liquide middelen de economie zouden verstoren. De Amerikanen daarentegen zagen de groei van de Verenigde Staten in gevaar komen en vroegen juist om meer stimuleringsmaatregelen.

In 2009-2010 zagen we dat de enorme opleving van de Amerikaanse economie niet houdbaar was en, toen de economische omstandigheden in de Verenigde Staten begonnen af te wijken van die in Europa, werd de "incidentele samenwerking" beëindigd en viel men terug op de politieke verschillen van de afgelopen tien jaar.

Een meer bedachtzame interpretatie zou zijn dat de Verenigde staten en Europa hun samenwerking nog niet op elkaar hebben afgestemd in samenhang met de nieuwe globale omstandigheden die er na de crisis zijn ontstaan.

Deze worden gekenmerkt door drie factoren: de andere omvang van de economie aan de overkant van de oceaan, de relatie tussen groei en fiscaal beleid op de lange termijn en tot slot de noodzaak om ook bij nationaal en regionaal beleid rekening te houden met de wereldwijde onevenwichtigheid.

Nieuw evenwicht EU en VS

Het wereldbestuur is veranderd door de crisis. De G20 verving de G7 als bevoorrechte ontmoetingsplaats voor regeringen en centrale banken. In plaats van zich op de G10 te concentreren, richt de monetaire coördinatie zich nu op de Global Economy Meeting (GEM) van Basel waaraan 34 centrale banken deelnemen. De Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board) breidde het aantal lidstaten veel verder uit dan de G7, en tot slot is het Internationaal Monetair Fonds bezig om zijn systeem van kapitaalquota te herzien, waarbij de invloed van de Europeanen wordt teruggebracht.

De Verenigde Staten en Europa moeten hun verhouding binnen dit nieuwe kader opnieuw in evenwicht brengen. Het is tegenwoordig bijvoorbeeld onmogelijk zich een mening te vormen over de wisselkoers van de euro en de dollar zonder rekening te houden met de rol die de Chinese renminbi daarbij speelt. Als ze dat zouden doen, dan zouden de Verenigde Staten en Europa het nut van samenwerking wel weer ontdekken.

Respect beleid individuele landen

Het is onvermijdelijk dat de Verenigde Staten en Europa zich moeten afvragen "wie de consumptie gaat ondersteunen" en weer zullen ze daarbij op een gecoördineerde manier rekening moeten houden met de opkomende economieën. Maar de coördinatie van buitenlandpolitiek werkt alleen als de eisen die het wereldwijde evenwichtsherstel eraan stelt, door het beleid van de individuele landen gerespecteerd wordt. En dat is precies wat er tot nu toe aan mankeert.

Tijdens de top van Lissabon zullen de Verenigde Staten en Europa het eens moeten worden over het afwijzen van protectionisme en zullen ze de obstakels voor het uitwisselen van technologieën moeten terugdringen, vooral die op milieugebied. Tot slot zullen ze hun gemeenschappelijke inzet voor innovatie op het gebied van werkgelegenheidsbescherming bekend moeten maken. Maar om dan geloofwaardig te zijn zullen de Verenigde Staten en Europa wel blijk moeten geven van interne cohesie. Helaas voldoen de signalen tot nu toe niet aan die verwachting.

Zelfs al is de topontmoeting in Lissabon tussen de Verenigde Staten en Europa niet de juiste plek om monetaire onderhandelingen te voeren, omdat deelname aan een gecoördineerd beleid publiek moet worden goedgekeurd door Washington, toch zal de Europese Unie zich moeten presenteren met een geloofwaardig economisch beleidskader. Zonder beloften die rekening houden met de effecten van het lokale beleid op derde landen, loopt de trans-Atlantische agenda het risico zijn geloofwaardigheid definitief te verliezen.