Recep Tayyip Erdoğan sprak tijdens zijn campagne in 2002 over concrete zaken als zoals het dagelijks leven, vrijheid van godsdienst, van cultuur, van taal en van meningsuiting en zijn partij kwam een aantal maanden later als winnaar van de verkiezingen uit de bus. Er heerste een laagdrempelige sfeer, gemoedelijker en minder nationalistisch dan tijdens bijeenkomsten van een aantal andere partijen.

Volgens Erdoğan was het een noodzakelijke en nuttige stap om voorbereidingen te treffen voor de toetreding van Turkije tot de Europese Unie en bovendien het beste middel om het land te hervormen. Hij legde aan zijn buitenlandse gesprekspartners uit dat zijn nieuwe Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP) was veranderd en dat zij gebroken had met haar islamitische en anti-Europese verleden.

Ongebreideld kapitalisme

Elf jaar later, in de nacht van donderdag zes op vrijdag zeven juni, luidt de strekking heel anders. Recep Tayyip Erdoğan verwijst naar het Ottomaanse Rijk, hij roept Allah aan om te zorgen dat de Arabisch-mohammedaanse "broederschap", "unie" en "solidariteit” een "eeuwigdurend" karakter krijgen. Bovendien gebruikt hij de Turkse nationalistische trots van de duizenden aanhangers, zijn "soldaten", die hem zijn komen opwachten en die beweren bereid te zijn om deze “vandalen” te “verpletteren".

De Turkse premier rept met geen woord over de eisen (tegen de autoritaire wraak van de regering, tegen een ongebreideld kapitalisme, voor vrijheid van meningsuiting en voor vrijheid van levensstijl) van de tienduizenden jongeren die de straat opgingen sinds 31 mei.

Overigens ook met geen woord over Europa. Dat doet hij pas enkele uren later tijdens de persconferentie die hij samen geeft met Europees Commissaris Stefan Füle. Hoewel Erdoğan beweert open te staan voor de "democratische eisen", beschuldigt hij de Europese Unie tijdens deze persconferentie van “hypocrisie” en van “meten met twee maten”. Hij klaagt over het gebrek aan voortgang bij de toetredingsonderhandelingen, een "tragikomische situatie", en herinnert de mensen die kritiek hadden op zijn manier om de huidige crisis aan te pakken eraan dat Turkije wat democratie betreft door “bepaalde Europese landen" niet de les hoeft te worden gelezen.

Allesbehalve diplomatiek

Erdoğan windt er geen doekjes om. Zijn opmerkingen zijn offensief en allesbehalve diplomatiek. Als de Turkse premier iedere hoop op en wens tot Europese integratie voor zijn land zou hebben laten varen, dan zou hij het niet anders hebben verwoord.

Wat is er gebeurd? Er is een opmerkelijk groot verschil tussen de man in 2002 en nu in 2013. Moeten we daar verbaasd over zijn? Of moeten we hierin juist het bewijs zien van de "dubbele agenda" van Recep Tayyip Erdoğan en de AKP, zoals zijn meest onverzettelijke tegenstanders beweren? Premier Erdoğan en zijn AKP zouden, nadat ze met hulp van de EU eenmaal waren verlost van het militaire juk, namelijk de vrije hand hebben gehad om het geheime project van een neo-Turks beleid in gang te zetten. Dit beleid staat ver af van westerse, democratische en niet-confessionele waarden.

In 2002 kwam de AKP-regering aan de macht, zette een reeks fundamentele democratische hervormingen voort die de eerdere regeringscoalitie al was gestart en breidde ze zelfs uit. De regering ging daarmee zo ver dat de meest onverzettelijke tegenstanders er versteld van stonden. Brussel was blij: Turkije kreeg een datum, oktober 2005, waarop een begin kon worden gemaakt met de toetredingsonderhandelingen met de EU.

Geen botsing der beschavingen

De AKP presenteert zichzelf als een “ islamitisch-democratische” partij, geheel in navolging van de christendemocratische traditie, de meest Europese onder de heersende politieke stromingen. De toetreding van Turkije tot de Europese Unie is juist geen botsing der beschavingen, verklaart premier Erdoğan.

Leden van de kleine oppositiepartijen, uit links-liberale kringen, overtuigde Europeanen, ontpoppen zich tot ijverige ambassadeurs bij westerse diplomaten en journalisten, zonder dat ze Erdoğan feitelijk kennen. Zij hebben in de AKP eindelijk een partij gevonden die de moed en de middelen heeft om hun gemeenschappelijke vijand te onttronen: het leger (dat vier keer een militaire coup pleegde in bijna dertig jaar), en het terug te sturen naar de kazerne.

Toch komt er al snel een einde aan deze impuls en deze hervormingen. Vanaf 2004-2005 om precies te zijn, ruim voordat de strijd tegen de militairen is gewonnen.

Daar zijn twee redenen voor. De eerste is niet zo bekend, maar wel van wezenlijk belang om Recep Tayyip Erdoğan te begrijpen.

Geen hoofddoek

In 2003 bekrachtigde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de opheffing van de islamitische partij Refah door het Turkse constitutionele hof, met de motivatie dat deze partij in de Turkse context een bedreiging vormde voor de democratie, terwijl de opheffing van de communistische partij of de autonome partij in strijd werd geacht met het Europese recht. Premier Erdoğan begreep dit verschil niet.

Daarbij kwam in juli 2004 het hooggerechtshof van Straatsburg met het definitieve vonnis in de zaak-Leila Sahin dat bevestigde dat deze jongedame terecht wegens het dragen van een hoofddoek van de universiteit was verwijderd. Dit was een schok voor Erdoğan, wiens eigen dochters naar de Verenigde Staten moesten vertrekken om met hoofddoek te kunnen studeren. Ook in dit geval begreep hij niet dat over iets wat in de meeste Europese landen is toegestaan, namelijk met hoofddoek te gaan studeren, anders werd gevonnist als het om Turkije gaat.

Broze overtuiging

Dus als hij het heeft over “meten met twee maten”, heeft hij vooral deze twee vonnissen voor ogen. Als gevolg hiervan begon zijn broze overtuiging dat de Europese Unie godsdienstvrijheid garandeert, te wankelen.

De tweede reden is bekender. In 2005 moesten de Fransen zich uitspreken over het verdrag dat de basis moest vormen voor een Europese grondwet. De Turkse kandidatuur was het onderwerp van een heftige lastercampagne. Turkije fungeerde als boeman, een instrument dat de Franse president Nicolas Sarkozy gebruikte voor verkiezingsdoeleinden. Samen met Duitsland deed hij Turkije een voorstel voor een “exclusief partnerschap”, een loze belofte voor het enige kandidaat-land sinds tijden (1995) dat een overeenkomst heeft getekend voor het instellen van een douane-unie met de Europese Unie.

Vernederd

Terwijl premier Erdoğan de Turken die op hem hadden gestemd hun trots wilde teruggeven, een nationale toekomst, gebeurde hier in feite precies het tegenovergestelde. Dat raakt hem diep, hij voelde zich vernederd. Ziedaar het begin van een duivelse spiraal.

Een meerderheid van de Turkse functionarissen geloofde niet langer in deze Europese Unie die op hen neerkijkt. Turkije besloot het proces van liberale en democratische hervormingen, noodzakelijk voor een meer dan twijfelachtige toetreding, eerst te vertragen, vervolgens stop te zetten en uiteindelijk om te keren. Het land weigerde de regels van de douane-unie toe te passen op Cyprus, dat inmiddels lid is van de Europese Unie en waarvan Turkije nog altijd het noorden bezet.

Sinds oktober 2005 zijn 13 van de 33 “hoofdstukken” opengesteld voor onderhandeling, terwijl er maar eentje is gesloten. Sinds juni 2010 is er geen enkel nieuw “hoofdstuk” meer geopend. In juli 2012 schortte Ankara ieder contact met de Europese Unie op tijdens de zes maanden dat Cyprus voorzitter was van de Europese Unie, aangezien Turkije nog altijd weigert Cyprus te erkennen.

Inmiddels bevindt Recep Tayyip Erdoğan zich ten aanzien van de Europese Unie in een haast schizofrene situatie. Enerzijds begint hij in te zien dat de Turkse droom de Arabische buurlanden maar matig kan bekoren en dat de invloed van de Turkse diplomatie in de regio grotendeels gebaseerd is op het feit dat het land stevig wordt gesteund door het Westen. Anderzijds is het voor hem bijna onmogelijk geworden om ten overstaan van zijn eigen publieke opinie toe te geven dat toetreding tot de Europese Unie uiteindelijk, in ieder geval economisch en diplomatiek, het beste is wat Turkije kan overkomen.