Petr Nečas, de Tsjechische premier, is dan toch afgetreden. Maandagnamiddag, vijf dagen nadat zijn land getroffen werd door het grootste corruptieschandaal uit zijn recente geschiedenis, diende hij zijn ontslag in. Nečas had het duidelijk liever anders gezien. De voorbije dagen liet hij verstaan dat hij zichzelf niets te verwijten had en dat hij hoe dan ook zou aanblijven.

Maar dan nog mag hij van geluk spreken. Enkele weken geleden werd een van zijn oud-collega's, de Sloveense oud-premier Janez Janša, door een rechtbank in Ljubljana veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Hij wordt verdacht van het aannemen van smeergeld bij de aankoop van Finse pantservoertuigen. Zijn zaak roept opvallende gelijkenissen op met het Tsjechische corruptieschandaal. Ook daar werd goed verdiend aan bestellingen van het leger.

Eindelijk wordt corruptie aangepakt

Verderop is het niet beter gesteld. In Kroatië, dat binnen twee weken lid wordt van de Europese Unie, zit oud-premier Ivo Sanader in de cel op de uitkomst van zijn processen te wachten. Er hangt hem meer dan tien jaar gevangenisstraf boven het hoofd.

De problemen waarmee die oud-premiers te maken hebben zijn goed en slecht nieuws tegelijk. Goed nieuws, omdat bijna tien jaar na de uitbreiding van de Europese Unie naar het Oosten eindelijk werk wordt gemaakt van de strijd tegen corruptie. Want Tsjechië, Slovenië en Kroatië zijn geen uitzondering.

Ook in andere voormalige Oostbloklanden is het gerecht, langzaam maar zeker, in actie gekomen tegen de georganiseerde misdaad. Zelfs in landen met een uiterst belabberde reputatie, zoals Roemenië en Bulgarije, gebeuren dingen die een aantal jaren geleden voor onmogelijk zouden zijn gehouden. Liefst drie ministers werden er de afgelopen maanden in staat van beschuldiging gesteld.

Een erfenis van het communisme

Het slechte nieuws is dat hun problemen aantonen dat oude gewoonten slechts zeer langzaam uitsterven. Hoewel de nieuwe lidstaten hun wetgeving hebben aangepast aan de wensen van Brussel blijft de toepassing ervan vaak dode letter. Het is een erfenis van het communisme, toen corruptie een natuurlijk onderdeel van het maatschappelijke leven was.

De gevolgen daarvan zijn tot op de dag van vandaag te merken. Er gaat in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie geen dag voorbij of een of ander schandaal haalt de voorpagina's, zelfs in landen die de toon aangeven in de strijd tegen de corruptie, zoals Polen.

Gesjoemel valt moeilijk te bewijzen

Voor zover er al Europees geld mee gemoeid is, kan Brussel ingrijpen. Eind vorig jaar blokkeerde de Europese Commissie voor meer dan 800 miljoen euro aan subsidies na gesjoemel bij de aanleg van een Poolse autosnelweg. Ook andere voormalige Oostbloklanden kregen al eens de rekening gepresenteerd voor hun geknoei met openbare aanbestedingen. Maar dat zijn en blijven uitzonderingen. Omdat gesjoemel doorgaans moeilijk te bewijzen valt, staat Brussel vrijwel machteloos tegen de voortwoekerende corruptie.

Een alternatief is er niet. Van de landen die het voorbije decennium lid werden van de Europese Unie staan alleen Roemenië en Bulgarije nog onder (beperkt) toezicht van de Europese Commissie. Maar zelfs zij zijn moeilijk onder druk te zettten. Van de mogelijkheid sancties op te leggen, werd nooit gebruik gemaakt. De enige stok achter de deur is het blokkeren van hun toetreding tot Schengen, maar ook daar hoeven geen wonderen van verwacht te worden.

Voorstellen om EU-fondsen te bevriezen

Het is die machteloosheid die vier rijke lidstaten, waaronder Nederland, onlangs deed voorstellen om de Europese fondsen te bevriezen voor landen die zich niet aan de regels houden. Het klinkt goed, maar door de verdeeldheid binnen de Europese Unie maakt het geen enkele kans.

De zuivering zal dus van onderop moeten komen, langzaam maar zeker, stap voor stap. Wie denkt dat het sneller kan, moet maar eens naar Bulgarije kijken, een land waar 98 procent van de openbare aanbestedingen door 2 procent van de bedrijven wordt gewonnen. Straatprotest tegen de wijdverspreide corruptie leidde er eerder dit jaar tot de val van de regering. Ondertussen kunnen de Bulgaren van voor af aan beginnen. Een van de eerste beslissingen van de nieuwe regering was de benoeming van een corrupte mediamagnaat tot hoofd van de geheime dienst. Premier Plamen Oresjarski zag er geen bezwaren in.