Corruptie is vandaag de dag de grootste individuele bedreiging voor de democratie in Europa. Steeds meer mensen in Europa verliezen hun vertrouwen in de rechtstaat.” Zo sprak in januari van dit jaar de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de Noor Thorbjørn Jagland. Geef hem eens ongelijk. Vooral als je bedenkt dat de meest corrupte landen van Europa vaak ook democratieën zijn die in crisis verkeren. Of helemaal geen democratieën (zoals bijvoorbeeld het Rusland van Vladimir Poetin, waar de corruptie naar schatting ruim 20 procent van het bbp bedraagt).

Portugal, Italië, Griekenland, Spanje. De beginletters van deze vier landen vormen het venijnige letterwoord PIGS (waartoe aanvankelijk ook Ierland behoorde). Bepaalde media, vooral Engelse, verwijzen hiermee onomwonden naar de kwetsbare economieën van Zuid-Europa, die, kort gezegd, verantwoordelijk zijn voor de crisis van de eurozone. Dit zijn uiteraard simplificaties. Het industriële Lombardije lijkt weinig van doen te hebben met de toeristische Algarve en op het eerste gezicht staat een wereldstad als Barcelona lichtjaren verwijderd van de chaos van Athene.

Toch schuilt er een zekere kern van waarheid in de afkorting PIGS. Afgezien van de economische crisis hebben deze landen nog meer gemeen. Zoals de grotendeels corrupte leidende klassen. Verschilt het Milaan met zijn schandalen echt zo veel van Lissabon? Heeft het Catalonië met zijn cliëntelisme echt niets gemeen met Griekenland? Elke dag verschijnt er in Zuid-Europese kranten wel de naam van een of andere politicus die wordt beschuldigd van corruptie. Is het dan echt zo onbegrijpelijk dat de meest populistische en anti-systeembewegingen zulke grote verkiezingsoverwinningen behalen?

De kerk zag corruptie te lang door de vingers

Natuurlijk bestaat het risico dat we corruptie als een cultureel kenmerk van heel Zuid-Europa gaan zien. En dat we vervallen in de clichés van sommige Noord-Europese tabloids, die Italianen, Grieken en Spanjaarden omschrijven als een ratjetoe brassende en corrupte nietsnutten. Als je je vervolgens realiseert dat de PIGS allemaal katholiek zijn (behalve het orthodoxe Griekenland), terwijl de minder corrupte landen op aarde allemaal protestant zijn (behalve Singapore), wordt het risico op cultureel determinisme alleen maar groter.

Cliëntelisme en een neopatrimonialistische politieke cultuur zijn een kenmerk van Zuid-Europa. In katholieke landen geldt religie als een belangrijke verklaring voor het stemgedrag en de overheersende politieke cultuur”, aldus Luís de Sousa, onderzoeker aan het Instituut voor Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Lissabon en voorzitter van de Portugese afdeling van Transparency International. “Ik wil echter niet overdreven veel belang hechten aan religie, ten koste van andere structurele factoren die van invloed kunnen zijn op de manier waarop mensen corruptie zien en ermee omgaan. Er wordt gezegd dat de minder corrupte landen protestant zijn, maar als we onder aan de lijst kijken, zien we veel landen in Sub-saharisch Afrika die door protestante landen werden gekoloniseerd.

Professor Gianfranco Pasquino, docent aan het Bologna Center van de School of Advanced International Studies van de Johns Hopkins University, is dezelfde mening toegedaan. “Religie speelt zeker een rol, maar de katholieke inwoners van overwegend protestante landen zijn niet corrupter dan hun lutherse of calvinistische landgenoten. Het is dus de totale structuur van het systeem die bepalend is. Meer nog dan religie zelf is het wellicht de houding van de kerk ten aanzien van corruptie die een belangrijke rol speelt. De kerk heeft corruptie te lang door de vingers gezien en meer aandacht besteed aan de seksuele wantoestanden dan aan de financiële wantoestanden.

Anderzijds was het juist een uitgesproken katholiek land, Ierland (dat in het verleden ook deel uitmaakte van de afkorting PIIGS), waar een – weliswaar ongewone – oplossing werd gevonden om het cliëntelisme en de banden tussen geld en politiek te bestrijden: lokale banken, verantwoordelijk voor de financiële crisis die het land in 2008 trof, laten besturen door buitenlanders. Zo is de Brit Matthew Elderfield, voormalig hoofd van de Bermuda Monetary Authority, benoemd tot hoofd van de autoriteit voor financieel toezicht bij de Ierse Centrale Bank. Volgens de Financial Times, die een artikel aan het onderwerp wijdde, betekende de benoeming van een buitenlander voor deze belangrijke functie “een omslagpunt voor Ierland, een klein land waar familiebanden, politieke verstrengelingen en cliëntelisme de financiële sector domineerden.

Elderfield verkeert in goed gezelschap. De vicegouverneur van de Ierse Centrale Bank, Stefan Gerlach, is een Zweed, evenals de hoofdeconoom Lars Frissell. Kortom, het leek Dublin een goed idee om de eerlijke reputatie van de Scandinaviërs te gebruiken om het ontwrichte bankensysteem wat ethische glans terug te geven. Wellicht kan dit idee, met enkele verbeteringen, ook worden ingevoerd in Zuid-Europa… door bijvoorbeeld Griekenland en bepaalde regio’s in Italië en Spanje door Scandinavische technocraten te laten besturen. Per slot van rekening staan Denemarken, Finland en Zweden op de eerste, tweede en derde plaats van de lijst van Transparency International. Volgens hen is een maatschappij zonder corruptie wel degelijk mogelijk.