Er lijkt een element van toneelspel schuil te gaan in de verontwaardiging waaraan Frankrijk, Duitsland en veel andere Europese regeringen uiting hebben geven sinds de online-editie van het Duitse weekblad Der Spiegel het afgelopen weekeinde berichtte dat de Amerikaanse Nationale Veiligheidsdienst NSA diplomatieke vertegenwoordigingen afluisterde en zich toegang had verschaft tot hun interne computersystemen. Het bespioneren van bondgenoten maakt een slechte indruk en wordt zelden in het openbaar besproken, tenzij – zoals nu – documenten van geheime diensten naar de pers worden gelekt. Maar de regeringen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan (en vrijwel overal ter wereld) bespioneren al heel lang zowel hun vijanden als hun vrienden.

De tijd ligt al heel ver achter ons dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Stimson, toen hij in 1929 zijn beslissing moest rechtvaardigen om het kantoor op zijn ministerie te sluiten waar geheime codes werden gekraakt, zei: “Echte heren lezen elkaars brieven niet”. De NSA werd in 1952 in het geheim opgericht, met als mandaat het onderscheppen van allerlei soorten communicatie van buitenlandse herkomst, met gebruikmaking van alle beschikbare afluistermethodes en spionageapparatuur.

Massaopslag door nieuwe technologieën

Het nieuwe element is de computertechnologie, die opslag van gegevens zo goedkoop maakt, en de analyse ervan zo snel, dat de dienst nu geen beperkingen meer kent ten aanzien van de hoeveelheid gegevens die zij kan verzamelen en gebruiken. Dat zorgt ervoor dat beperkingen vanuit het beleid des te belangrijker zijn geworden. Maar het is lastig om een verstandig beleid te bespreken als ieder detail geheim wordt gehouden voor het publiek.

De meeste Europese regeringen weten vermoedelijk al heel lang van de mogelijkheden waarover de NSA beschikt. Maar de doorsnee-Europeaan was zich daar niet bewust van, totdat Der Spiegel deze week bekendmaakte hoeveel particuliere telefoongesprekken worden afgeluisterd en hoeveel e-mailtjes en tekstberichten iedere maand door de NSA worden onderschept. Volgens het weekblad zouden dat er alleen in Duitsland al 500 miljoen zijn in één maand tijd. Dat grote aantal leidt tot het vermoeden dat een groot deel van de afluisterpraktijken van de NSA geen enkel verband houdt met de nationale veiligheid van Amerika of het dwarsbomen van terroristen.

Het afluisteren van gewone Europeanen door de NSA is op grond van de Amerikaanse wet volkomen legaal; de dienst mag alleen niet zonder gerechtelijk bevel Amerikanen bespioneren. Dat mag de Duitse geheime dienst ook niet doen met Duitsers. Het is naïef om te veronderstellen dat geallieerde geheime diensten geen gegevens uitwisselen die voor de een toegankelijk zijn en voor de ander niet.

Striktere regels in het belang van iedereen

Dat is de reden dat de verontwaardiging van de Europese politici overdreven lijkt, evenals hun dreigement om de gesprekken over een trans-Atlantisch handelsverdrag op te schorten (omdat de Europese onderhandelingsstrategie een van de doelwitten van de afluisterpraktijken van de NSA kan zijn geweest). Het zou niet verbazend zijn als we te horen zouden krijgen dat de Europeanen ook hebben geprobeerd inlichtingen te verkrijgen over de Amerikaanse onderhandelingsstrategie. Maar een overeenkomst blijft in het belang van alle deelnemers.

Eén goed gevolg van de recente onthullingen zou kunnen zijn dat de Europese eisen voor striktere regels over het vergaren van gegevens over particulieren door bedrijven en regeringen worden verscherpt. De NSA denkt misschien dat zulke regels geen beperking zullen vormen voor haar geheime activiteiten, maar ze zouden de dienst er wel toe kunnen nopen voorzichtiger en selectiever te werk te gaan. Het tegen je in het harnas jagen van de burgers van een van je naaste bondgenoten is geen veelbelovende strategie voor het verhogen van de (in-)ternationale veiligheid.