Als Kanita Focak zou moeten zeggen wat zij het mooiste boek vindt dat zij ooit heeft gelezen, dan zou dat een moeilijke keuze zijn. Wordt het de “Decamerone”, de verzameling novellen van Giovanni Boccaccio uit de veertiende eeuw? Een roman van Salman Rushdie? Of “Brug over de Drina” van de Joegoslavische Nobelprijswinnaar Ivo Andrić? Als het om de plek van haar leven gaat, aarzelt Kanita Focak echter geen moment: dat is de Vijecnica, de vroegere nationale bibliotheek van Bosnië en Herzegovina, en het symbool van de Bosnische hoofdstad Sarajevo. De boeken en handschriften, landkaarten en kranten uit zes eeuwen, in het Latijn, Engels, Turks en Arabisch, Russisch en Perzisch, Duits en Italiaans, en de afwisselende concerten en tentoonstellingen maakten de bibliotheek tot het spiegelbeeld van de veelvolkerenstaat Bosnië.

Focak is nu 59 jaar oud. Ze zegt: “De belangrijkste gebeurtenissen uit mijn leven zijn met de Vijećnica verbonden”. Kanita Focak gaat al op jonge leeftijd houden van talen en literatuur, schilderkunst en architectuur. Als zestienjarige, met het uiterlijk van een zwartharige Grace Kelly, verslindt ze in de leeszaal met houten tafels van de Vijećnica boeken over de architectuur van de Renaissance en de werken van Boccaccio en Dante. Dan leert de katholieke Focak de tien jaar oudere goudsmid Faruk kennen, een moslim. Het verliefde stel spreekt af in de Vijećnica – als het regent in de leeszaal, als de zon schijnt bij de marmeren entree. Beide families zijn tegen deze relatie, maar de geliefden laten zich daardoor niet van de wijs brengen. [Ze trouwen eind jaren tachtig]. Het pasgetrouwde paar trekt in het huis van de familie van Faruk, recht tegenover de nationale bibliotheek.

Verdrijvings- en vernietigingsveldtocht

Hun geluk is echter geen lang leven beschoren. In 1991 begint de oorlog in Kroatië, en nog geen jaar later is ook Bosnië aan de beurt. Op een middag eind april 1992 vuren Servische artilleristen vanaf de heuvels vol lentegroen boven Sarajevo de eerste granaten af. Al snel staan het Bosnische parlementsgebouw en het constitutionele hof in brand.

Een van de geestelijke vaders van dit brandstichten heeft jarenlang naast Kanita Focak in de leeszaal van de Vijećnica gezeten: Nikola Koljević, Shakespeare-specialist aan de universiteit van Sarajevo. De hoogleraar meet zich de ideologie van de nationalistische Serviërs aan: zij zouden geroepen zijn om een Groot-Servisch rijk te stichten, andere nationaliteiten te verdrijven en hun erfgoed te verwoesten. In de oorlog is Koljević als plaatsvervanger van de Servische leider Radovan Karadžić medeverantwoordelijk voor de verdrijvings- en vernietigingsveldtocht.

Vernietiging van gemeenschappelijk verleden

Op de avond van 25 augustus 1992 geeft de ex-Shakespeare-onderzoeker Koljević het bevel de Vijećnica in brand te schieten. De Serviërs vuren een regen van brandgranaten af op de bibliotheek. Negen tiende van de ongeveer 1,5 miljoen boeken gaat in vlammen op. Dit is de grootste boekverbranding uit de moderne geschiedenis, een planmatige daad van vernietiging van een gemeenschappelijk verleden, ter verhindering van een gemeenschappelijke toekomst.

Aan de andere kant van de rivier doorboort een granaatsplinter de muur van de woonkamer van de Focaks, waarbij Faruk in de maag wordt getroffen. Vier dagen voert hij een vergeefse strijd tegen de dood. Dan zegt hij: “Jij zult onze zoon zien opgroeien”, en sterft in de armen van Kanita, na slechts vier jaar samen te zijn geweest.

Na het einde van de oorlog werkt Focak, die architecte is geworden, mee aan de wederopbouw van de stad. En al snel zorgen de gerestaureerde moskeeën, kerken en huizen ervoor dat Sarajevo weer een van de mooiste steden van de Balkan wordt.

Verwoesting van cultuur is oorlogsmisdaad

Maar de uitgebrande nationale bibliotheek blijft lange tijd louter een façade. Tot op de dag van vandaag heeft nog niemand voor de aanval op de bibliotheek geboet. De verwoesting van cultuurgoederen geldt weliswaar als een oorlogsmisdaad, die door het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag kan worden vervolgd. Maar de ex-Shakespeare-onderzoeker Koljević pleegt zelfmoord, en in de processen tegen Radovan Karadžić en zijn generaal Ratko Mladić schrappen de aanklagers de verwoesting van de Vijećnica uit het te omvangrijk geworden dossier.

Ook de bibliothecarissen wachten nog altijd op gerechtigheid. Met hun geredde boeken en handschriften trekken zij van de kluis van de lottofirma naar een atoomschuilkelder, naar de kelder van het ministerie van Onderwijs en tenslotte naar een voormalige kazerne van het Joegoslavische leger. Daar bouwen ze de bestanden van de nationale bibliotheek weer op. Maar tot nu toe huist de bibliotheek nog steeds in het noodonderkomen. En zij dreigt failliet te gaan. Vroeger werkten er ruim honderd mensen, tegenwoordig – in het noodonderkomen – zijn dat er nog slechts 47.

Servische Republiek is het liefst onafhankelijk

De bibliothecarissen hebben hele muren volgeplakt met kopieën van brieven, waarin ze de Bosnische politici al jarenlang smeken hun bibliotheek weer op te bouwen en vooral te financieren. Tot nu toe zijn al die pleidooien vruchteloos gebleken. Want de onzalige geest van de tot brandstichter verworden Shakespeare-onderzoeker Koljević leeft voort, in de door de Serviërs gedomineerde Republika Srpska (Servische Republiek). Dat is op papier een van de twee zeer autonome delen van Bosnië en Herzegovina. Maar haar president zou deze republiek het liefst onafhankelijk maken of zich meteen bij Servië laten aansluiten. De Serviërs hebben in Banja Luka, de hoofdstad van de Republika Srpska, allang een provinciale bibliotheek omgedoopt tot ‘Nationale en Universiteitsbibliotheek’.

In het tweede staatsdeel, de door islamitische Bosniërs en Kroaten gevormde federatie Bosnië-Herzegovina, zouden ook veel Kroaten Bosnië het liefst nog verder willen opdelen. Zij willen in geen geval de wedergeboorte van nationale symbolen. In het Verdrag van Dayton, dat in 1995 een einde maakte aan de oorlog, staat weliswaar dat de gemeenschappelijke staat Bosnië-Herzegovina staatsinstellingen moet financieren. Maar de met het cultuurbeleid belaste 'minister voor civiele zaken' is al sinds elf jaar Sredoje Nović, een vroegere chef van de geheime dienst en minister van Binnenlandse Zaken van de Republika Srpska. Zijn standpunt luidt: zijn ministerie heeft de nationale bibliotheek niet opgericht – en hoeft er dientengevolge ook niet voor te betalen.

In Sarajevo is veel geld beschikbaar, mits de politieke wil voorhanden en de politieke onschuld gewaarborgd is. Dat geldt zelfs voor de Vijećnica: de façade van het gebouw is enige tijd geleden prachtig gerestaureerd. De bouwkosten van vijf miljoen euro werden gedragen door de Europese Unie. In juni 2014 moet het voormalige symbool weer opengaan: als zetel van de burgemeester en de gemeenteraad.

Beide instellingen hebben in het huidige Bosnië weinig in de melk te brokkelen en vertegenwoordigen niet het hele land. Dat past goed in het beleid van de bouwheer: de minister, die weigert de nationale bibliotheek te financieren, en die de bibliothecarissen volledig buitenspel heeft gezet bij het maken van plannen voor de nieuwe Vijećnica. Op grond van deze zonder hun inbreng tot stand gekomen plannen mag de nationale bibliotheek in de herbouwde Vijećnica in een later stadium louter handschriften en zeldzame boeken tentoonstellen. De rest van de boeken blijft in het noodonderkomen.

Zo wordt geschiedenis gemaakt. “Met de oude Vijećnica is de belangrijkste plek van onze gemeenschappelijke cultuur, van onze gemeenschappelijke herinneringen en van ons samenleven verbrand”, zegt Kanita Focak. De boeken, die haar leven waren, blijven aan de rand van de stad, in een oude Joegoslavische kazerne.