De laatste tijd waren er een aantal mistroostige gezichten te zien aan de kabinetstafel van David Cameron. Tot verdriet van sommige eurosceptische collega’s zijn er in het met veel tamtam aangekondigde onderzoek naar de Britse relatie met Europa de verkeerde conclusies getrokken. Brussel zou noch het leven uit de Britse democratie zuigen, noch de economie vertragen door onnodige regelgeving. Hoewel de gebruikelijke irritaties blijven, lijkt de Unie vooral het nationale belang te dienen.

De regering heeft de eerste tranche rapporten uit een complete evaluatie van het Britse EU-lidmaatschap gepubliceerd. Deze eerste serie bevat onderzoek naar de ‘competentiebalans’ binnen de gemeenschappelijke markt, belastingbeleid, buitenlands beleid en defensie, voedselveiligheid en dierenwelzijn, gezondheid en ontwikkeling. Gezien de politieke gevoeligheden binnen de coalitie – de Liberale Democraten van Nick Clegg delen de onder de conservatieven wijdverbreide vijandigheid ten opzichte van de meeste Europese zaken niet – was de taak grotendeels in handen van neutrale ambtenaren gelegd.

Ontdaan van ideologie en politieke oordelen

Het resultaat is een reeks rapporten die het verhaal vertellen zoals het is, ontdaan van ideologie en politieke oordelen. Dit was voor de premier reden genoeg om publicatie uit te stellen totdat de EU-vijandige conservatieve parlementsleden veilig uit Westminster waren vertrokken voor het parlementaire reces. Clegg wilde de rapporten vrijgeven tijdens een ministeriële persconferentie. De ambtenaren van Cameron stonden erop dat het zonder toeters en bellen zou gebeuren.

Pro-Europeanen die de doodsklap verwachtten voor de status quo binnen de EU, zullen teleurgesteld zijn. Hoewel de rapporten melden dat de gemeenschappelijke markt significante voordelen voor de Britse economie met zich meebracht, staat er ook in dat het te gelde maken daarvan maar moeizaam gaat. En terwijl het bedrijfsleven de eerlijke en rechtvaardige wetgeving steunt die nodig is om de markt te laten functioneren, is er minder consensus over milieu- en sociale wetgeving.

Het opvallendst is echter de kloof die er gaapt tussen de conclusies en de oorspronkelijke intentie van de evaluatie. De exercitie was bedoeld als opmaat tot de grootschalige repatriëring van EU-bevoegdheden, die onbuigzame eurosceptici eisten als minimaal noodzakelijk voor een voortgezet lidmaatschap. Iain Duncan Smith, Owen Paterson en Philip Hammond zijn slechts een paar van de ministers die protesteerden tegen de neutrale aanpak door de ambtenaren. Tijdens een van de bijeenkomsten op Whitehall [waar de Britse regering zetelt, red.], klaagde een adviseur van Hammond dat het rapport over buitenlandbeleid en defensie teveel nadruk legde op wat er al bekend is.

Toegang tot EU-markten van wezenlijk belang

Er kunnen drie brede conclusies uit de rapporten worden getrokken. De eerste is dat de gemeenschappelijke markt de verregaande integratie van moderne economieën een spiegel voorhoudt. Bedrijven zijn afhankelijk van de ‘vier vrijheden’: goederen, diensten, arbeid en kapitaal. Grensoverschrijdende toevoerlijnen, algemene standaarden, mobiele arbeidskrachten en productie op diverse locaties zijn in het moderne bedrijfsleven gemeengoed. Deze processen zijn afhankelijk van gemeenschappelijke standaarden en regelgeving.

Japan uitte publiekelijk wat veel derdewereldlanden binnenskamers hielden. Voor buitenlandse investeringen (en de banen die daarmee gepaard gaan) in het Verenigd Koninkrijk is toegang tot andere EU-markten van wezenlijk belang. Op een meer alledaags niveau zou de Britse voedselverwerkende industrie niet kunnen functioneren als de complexe, grensoverschrijdende productieketens niet allemaal gereguleerd zouden worden met uniforme wetgeving. Hetzelfde geldt voor andere industrieën en veel takken van dienstverlening. Het gevolg is dat indien Groot-Brittannië de EU zou verlaten, het land door de economische realiteit verplicht zou zijn terug te keren naar het hele arsenaal aan regelgeving; maar dan zonder een stem te hebben in de opzet ervan.

De tweede conclusie is dat Europa en de rest van de wereld aanvullende markten zijn voor het Britse bedrijfsleven. Het bewijs daarvan wordt geleverd door Vodafone. De aankondiging van EU-regelgeving voor telecommunicatie bood het bedrijf de kans een stap omhoog te doen, van nationale naar Europese provider. En om vanuit Europa zijn wereldwijde ambities te realiseren. Van de andere kant gebruiken bedrijven van het Europese vasteland, zoals BMW, hun Britse vestiging om auto’s te verkopen aan opkomende economieën, iets wat alleen mogelijk is vanwege de handelsovereenkomsten die de EU met andere landen heeft.

Regeringen willen zelf met Brussel werken

Ten derde kiezen Britse regeringen, ongeacht hun kleur, er vaak voor om via Brussel te werken, zelfs wanneer ze dat niet verplicht zijn. Zo probeert Groot-Brittannië vaker wel dan niet samen te werken met zijn EU-partners op het gebied van buitenlands beleid en defensie omdat de EU-instituten op dat gebied relatief zwak presteren. Op andere gebieden wil het Verenigd Koninkrijk de bevoegdheden van de Unie uitbreiden: dierenwelzijn lijkt bij uitstek een terrein voor besluitvorming op nationaal niveau maar de Britten proberen er koste wat kost EU-brede regels voor door te drukken.

Kortom, in het rapport komen heel wat zaken aan bod die de EU zou moeten hervormen of waar Europese regels zouden moeten worden losgelaten ten gunste van nationale keuzes. Ze benadrukken echter ook hoe moeilijk en kostbaar het voor Groot-Brittannië zou zijn de wederzijdse afhankelijkheid los te laten. De ideologie van de eurosceptici botst met de resultaten. Geen wonder dat Cameron wachtte tot het parlement met reces ging, en de kust veilig was.