Op 12 oktober 2010 kondigde het Europees Milieuagentschap(EEA) aan: “Uit een nieuw rapport is gebleken dat vijftien landen van de Europese Unie [Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Spanje, Portugal, Nederland, Luxemburg, Italië, Ierland, Griekenland, Duitsland, Frankrijk, Finland, Denemarken en België, red.] de doelstelling van het Verdrag van Kyoto – een afname van de broeikasgassen met 8% – kunnen halen en misschien zelfs wel voorbijstreven vanwege de grote daling van de CO2-uitstoot in 2008 en 2009.” In dit rapport van het EEA staat bovendien dat “de gehele Europese Unie [zevenentwintig lidstaten, red.] op de goede weg is om de doelstelling van een afname met twintig procent voor 2020 te halen.” Volgens dit onderzoek daalde de productie van CO2 in 2009 met 6,9 procent ten opzichte van 2008: dit is de sterkste daling sinds de uitstoot van kooldioxide in kaart wordt gebracht.

Het behoeft geen discussie dat de belangrijkste oorzaak van deze daling de economische recessie is. Verbazingwekkend is echter de optimistische toon van dit rapport, die ook doorklinkt in een mededeling van de Europese Commissie van 26 mei 2010: “Het feit dat twintig procent nu dichterbij is dan waar we in 2008 vanuit gingen, heeft een duidelijk positieve impact op de doelstelling die wij ons gesteld hebben, namelijk een daling van dertig procent.”

Achter deze voorzichtige uitlatingen gaat echter een starre redenering schuil. De eerste concepten van het rapport spraken met onverholen enthousiasme over de impact van de economische crisis op de CO2-uitstoot, wat flinke weerstand opriep, zelfs in de milieus die traditioneel positief staan tegenover het Europese milieudirigisme.

In een intern stuk van de Duitse werkgeversbond BDA viel bijvoorbeeld te lezen: “Een geringere economische groei zou niet toegejuicht moeten worden als een instrument om het klimaat te beschermen.” Industriële organisaties in andere Europese landen namen vergelijkbare of zelfs nog fellere standpunten in.

Storm van protesten

De publicatie van de definitieve tekst heeft een storm van protesten tot gevolg gehad, met name van de kant van Business Europe (federatie van Europese industriëlen) en Eurelectric (overkoepelende Europese organisatie van elektriciteitsmaatschappijen). Voor de eerste keer in de geschiedenis hebben de twee zwaargewichten in de Europese Commissie – Frankrijk en Duitsland – afstand genomen van het stuk van de Commissie via een gemeenschappelijke verklaring van hun respectievelijke ministers van Industrie. Maar de felste tegenstander bleek de eurocommissaris voor Industrie zelf te zijn, de Duitser Günther Oettinger.

De portefeuille klimaatkwesties is toevertrouwd aan de Deense Connie Hedegaard, die sinds 2009 – toen de nieuwe Commissie aantrad – de scepter zwaait over het speciaal voor haar opgerichte Directoraat-generaal Klimaat. Hedegaard wordt beschouwd als 'extremistisch'. Velen herinneren zich haar als de 'pleitbezorgster' van de klimaattop in Kopenhagen [COP15], die aanvankelijk was bedoeld als ecologische zaligverklaring van Barack Obama, maar uitliep op een waar fiasco omdat de belangrijkste spelers – de Verenigde Staten, India en China – weigerden om bindende afspraken te maken na Kyoto.

De crisis heeft aan de tak gezaagd waarop Europa’s groene industrie zat. Maar bovenal is de vraag gedaald, waardoor er geen nieuwe productiecapaciteit meer nodig is. Geschat wordt dat de vraag naar primaire energie in de EU tussen 2005 en 2010 met 3,4 procent is afgenomen. We weten nu dat we de niveaus van voor de crisis pas weer na 2020 zullen halen. Volgens de Europese Commissie zal de verhoging van de totale consumptie tussen 2015 en 2030 nog geen vier procent bedragen; dit is maar liefst zestien procent lager dan de schattingen van 2007.

Onmogelijke opgave geld te steken in onderzoek

Bovendien is het voor alle Europeanen moeilijker geworden om te lenen. Dit verschijnsel pakt bijzonder ongunstig uit voor de kapitaalintensieve industrieën die worden gekenmerkt door hoge vaste kosten en lage variabele kosten, zoals bij nieuwe duurzame energiebronnen. Het heeft dus veel voeten in de aarde om kapitaal los te krijgen om installaties te bouwen en het is vrijwel een onmogelijke opgave geworden om geld te steken in onderzoek en ontwikkeling.

Onlangs hebben bijna alle Europese landen hun subsidiekraan dichtgedraaid. In Italië heeft de regering de uitgaven voor de zonne-energiesector gemiddeld met twintig procent teruggebracht. In Spanje wordt openlijk gesproken van de 'zonnebel' sinds de kaalslag in de subsidies die in bepaalde gevallen soms wel 45 procent van de waarde van de installaties bedroeg en ervoor heeft gezorgd dat diverse grote fabrikanten van zonnepanelen de deuren moesten sluiten. Zelfs Duitsland heeft geleidelijk het mes gezet in zijn subsidies: eerst drie procent, daarna dertien procent in januari 2010 en vervolgens 21 procent vanaf 2012. Groot-Brittannië heeft op zijn beurt aangekondigd de subsidies met ingang van 2013 met tien procent in te korten.

Achter deze koerswijziging gaan diepere zaken schuil die niet uitsluitend afhangen van de economische conjunctuur. Het zal geen geheim zijn dat bepaalde landen – zoals Duitsland, Spanje en Denemarken – het milieubeleid door de bril van de industrie bekijken. Groen zijn is goed, maar het is nog beter om zowel groen als rijk te zijn. Dat experiment lijkt nu echter te zijn mislukt. Zelfs in de beste scenario’s bleek rijkdom te zijn overgedragen, maar niet gecreëerd; en deze overdracht heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat deze teniet is gegaan.

Aggressief commercieel beleid van de Chinezen

Hoewel Europa oorspronkelijk wereldleider op het gebied van groene technologieën was, is dat vandaag de dag niet meer het geval. De Chinese producenten zijn gearriveerd met een agressief commercieel beleid waarbij enerzijds de productiekosten omlaag zijn gebracht en de marges buiten proportioneel zijn verhoogd en dat anderzijds heeft gezorgd voor een verplaatsing van groene investeringen buiten de Europese grenzen. In de tussentijd sluiten de fabrieken in Europa hun deuren, terwijl de productie van zonnepanelen in China – hoofdzakelijk gesponsord door onze subsidies – in 2010 met vijftig procent zal toenemen.

Wat rest ons nog, afgezien van de smeulende puinhopen van een vervlogen illusie?

Europa blijft gedeeltelijk last houden van ideologische traagheid: op de top van Cancún over klimaatveranderingen [COP16/CMP6] zal het met de vuist op tafel slaan en zal het tegenover de rest van de wereld zijn eigen straatje schoonvegen. Maar onder de oppervlakte maakt een realistische Europese beweging zich op om nieuwe doelstellingen en strategieën uit te denken die zijn gebaseerd op de constatering dat niet alle energiebronnen gelijk zijn en het niet allemaal verdienen om gestimuleerd te worden met torenhoge subsidies.

De groene energieën zouden op de signalen van de markt moeten reageren en op een meer gestructureerde manier moeten aansluiten op de vraag. Het is bijvoorbeeld mogelijk om de subsidies op biobrandstoffen in een nieuwe vorm te gieten door technologieën te belonen die deze kunnen produceren tegen concurrerende prijzen waarbij zo weinig mogelijk grond wordt gebruikt. Bovendien zouden we windenergie waarschijnlijk moeten beperken tot windrijke gebieden en daarmee de pretentie laten vallen om windturbines neer te zetten die slechts duizend tot 1500 uur per jaar draaien.

Als de kloof tussen de traditionele energieën en de zogenaamde schone energieën kleiner wordt, wordt het nastreven van niet-economische doelstellingen goedkoper en de maatschappelijke acceptatie groter. Het is echter noodzakelijk om het staatsgeleide model dat tot op heden zijn stempel heeft gedrukt op de Europese benadering – met door de staat geplande energieprijzen en hoeveelheden geproduceerde energie – in te ruilen voor een concurrerend beleid waarin energiebronnen beloond worden die geen broeikasgassen uitstoten (bijvoorbeeld door andere energiebronnen een CO2-heffing op te leggen). Het feit dat weinig tot helemaal geen broeikasgas wordt uitgestoten, is echter geen absolute garantie voor overleving. Dat mag paradoxaal lijken, maar door het einde van het tijdperk van 'easy money' kan de groene rups in een duurzame vlinder transformeren.