Er was eens een tijd dat intellectuelen aller landen elkaar blindelings konden vinden wanneer de toestand in de wereld daartoe noopte. Boud gezegd ging dat zo. Twee of meer denkers concipieerden een oproep aan de Verenigde Naties of andere hoge organen, stuurden de tekst in eigen kring rond en drukten het appèl vervolgens in de Franse krant Le Monde. Die tijd lijkt voorbij als het om Syrië gaat.

Twee jaar geleden, in juni 2011, namen zeven schrijvers/denkers nog de moeite om de Veiligheidsraad aan te sporen een resolutie aan te nemen die interventie mogelijk zou maken in Syrië. “Het zou tragisch en moreel onaanvaardbaar zijn als deze resolutie, wegens de dreiging met een veto of blanco stem, niet wordt besproken en in de prullenbak verdwijnt”. Was getekend: Umberto Eco, David Grossman, Bernard-Henri Lévy, Amos Oz, Orhan Pamuk, Salman Rushdie en Wole Soyinka, allemaal schrijvers en een enkele Nobelprijswinnaar.

Negen maanden later deden bijna vijftig mondiale persoonlijkheden nog een poging met Syrië. De verdeeldheid in de internationale gemeenschap had het regime-Assad het valse gevoel gegeven dat “gewelddadige onderdrukking een gangbare weg is”, schreven de Duitse filosoof Jürgen Habermas, ex-president Richard von Weizsäcker, wederom de romanciers Eco en Grossman en veertig anderen.

De Fransen houden vol

Sindsdien is het stiller geworden. Maar de Fransen houden vol. In hun land heeft het debat in het publieke domein status. De filosoof Bernard-Henri Lévy roert zich, net als in 2011 toen het om Libië ging, met zijn landgenoten André Glucksmann en Bernard Kouchner (oud-minister van Buitenlandse Zaken).

Vorig jaar oktober bepleitte dit trio in Le Monde dat Frankrijk en Amerika gewapenderhand zouden moeten ingrijpen: om te voorkomen dat de Syrische rebellen nog anti-westerser worden. “Genoeg uitvluchten. Genoeg lafhartigheid. De democratische toekomst van Syrië vereist beslissende hulp”, schreven Lévy, Glucksmann, Kouchner en een vierde intellectueel in Le Monde.

We hebben veel tijd verloren. Het is nu moeilijker. Maar we moeten iets doen

Vorige week meldden Lévy en Kouchner zich weer. De veto’s van Rusland en China zijn “schaamteloos”, lichtte Lévy donderdag toe op de tv. En de taxatie dan dat Assad wordt opgevolgd door islamisten? “Rekening houdend met de beelden van vergaste kinderen is die redenering obsceen”, aldus Lévy. Kouchner zei voor de radio: “We hebben veel tijd verloren. Het is nu moeilijker. Maar we moeten iets doen. Een geste die ook een beetje onze eer redt”.

Het diametraal tegenovergestelde geluid klinkt ook. In Frankrijk, waar erevoorzitter Jean-Marie Le Pen van het Front National gisteren schamperde over landgenoten die “onder het dak van hun Parijse bistro’s” ten oorlog willen trekken.

Deze benadering is een afgeleide van de hyper realpolitische benadering van de Amerikaanse conservatieve commentator Daniel Pipes (zoon van de befaamde historicus/Ruslandkundige Richard Pipes). Pipes pleit voor steun aan Assad en vergelijkt deze keuze met de geallieerde coalitie in de Tweede Wereldoorlog. “Stalin was een veel erger monster dan Assad” maar het was na 1941 “noodzakelijk om de Duitse troepen aan het Oostfront gebonden te houden” en dus de Sovjet-Unie te steunen, schreef Pipes vijf maanden geleden.

Hij droomt er in een artikel in de rechtse krant Washington Times van dat “Assad & Teheran en de rebellen & Ankara elkaar tot wederzijdse uitputting bestrijden”. Pipes roept de Iraans/Iraakse oorlog (1980-1988) in herinnering. Saddam Hoessein was de golfoorlog “begonnen en wreder”. Maar ayatollah Khomeiny was “ideologisch gevaarlijker en agressiever”, betoogt Pipes, die vervolgens een apocriefe wisecrack van Henry Kissinger aanhaalt: “Jammer dat ze niet allebei kunnen verliezen”.

Twee crucialen verschillen

Maar deze volgens Lévy ‘obscene’ houding verklaart niet waarom de Franse filosoof nu zo weinig medestanders weet te mobiliseren. De Canadese historicus en ex-politicus Michael Ignatieff deed twee weken geleden een poging in de Boston Review.

De internationale gemeenschap heeft de immense verantwoordelijkheid te voorkomen dat het ergste gebeurt na de val van Assad

Ignatieff is zelf voorstander van ingrijpen. “Het is een knoeiboel. Voorzichtigheid is geboden. Maar de internationale gemeenschap heeft de immense verantwoordelijkheid te voorkomen dat het ergste gebeurt na de val van Assad””, zei hij in maart tegen de Canadese krant *Globe and Mail.

Maar Ignatieff kan wel analyseren waarom risicomijdend gedrag in het Westen nu “Realisme” met hoofdletter ‘r’ wordt genoemd. In de Boston Review vergelijkt hij de Syrische crisis met die in Bosnië twee decennia geleden. Er zijn twee cruciale verschillen, aldus Ignatieff.

In de jaren negentig lag Rusland op zijn knieën en was China nog bezig op te staan. “Geen van beide stond een interventie in de weg. Nu legt de Syrische crisis de contouren van een hele andere wereld bloot”.

Het tweede verschil dat niet tot actie uitnodigt, is niet minder belangrijk. Inmenging vergt meer dan alleen mededogen met de slachtoffers. Een interventie vereist ook dat ze “zich kunnen identificeren met een zaak die het democratische electoraat in het Westen zich eigen kan maken”, stelt Ignatieff vast.

De Bosniërs begrepen dat. Ze presenteerden zich, bijvoorbeeld via de superieur Engels sprekende minister Mo Sacirbey van Buitenlandse Zaken, als dragers van Europese waarden. “De bombardementen op Sarajevo en de val van Srebrenica waren aanleiding tot interventie, maar het ideologische fundament lag er al”, betoogt Ignatieff.